School

School is wellicht het meest ernstige probleem van hoogbegaafde kinderen. In beginsel leren hoogbegaafde kinderen vanuit zichzelf, in eigen tempo en belangstellingen. Het remmende karakter van het in kleine stapjes aanbieden van leerstof, zou de motivatie van de leerling kunnen doen afnemen tot een zo laag niveau dat de leerling kan gaan onderpresteren (Mönks & Ypenburg, 1993; de Vries, 1996; Span, 1988).

Het eerste leertechnische aspect van aanspreken van motivatie is gelegen bij processen in de leerlingen zelf. Het onderwijsleerproces van de leerling moet bij voorkeur bestaan uit een frequent reflecteren op de kwaliteit van het geleerde (Bransford & Nitsch, 1978, in Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999). Daarnaast moet de leerling in staat zijn van gedachten te kunnen veranderen gedurende het proces, voorkennis met nieuwe kennis te kunnen koppelen en in staat zijn nieuwe informatie te vergaren of toe te kunnen voegen aan bestaande kennis (Bransford et al., 2000; Wiske et al., 2001; in ten Brummelhuis et al., 2008).

School spreekt de wezenlijke aspecten van leren in veel gevallen niet aan. Deze vaardigheden staan in de literatuur bekend als ‘Meta-cognitief denken’ (Brown, Bransford, Ferrara, & Campione, 1983; Flavell, 1987, in Lin et al., 1999) en worden gezien als een belangrijke component voor het succesvol aanleren van nieuwe domeinen, het effectief mobiliseren van voorkennis en het organiseren van informatie en informatiebronnen (Bransford & Stein, 1993; Brown et al., 1983; Scardamalia & Bereiter, 1991, in Lin et al., 1999). Een manier van denken welke een springplank is voor zelf-monitoring, zelf-correctie, zelf-motivatie van de leerling (Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999).

School is wellicht het meest ernstige probleem van hoogbegaafde kinderen. In beginsel leren hoogbegaafde kinderen vanuit zichzelf, in eigen tempo en belangstellingen.

Onderzoekend leren

School is over het algemeen lineair opgezet, op basis van een vermeende invulling van de eisen van OCW. Deze eisen zijn echter ruim genoeg om er vanaf te kunnen wijken. Hoogbegaafde leerlingen hebben meer aan een vrije vorm van onderwijs, want ze willen in eigen tempo en eigen wijze leren. Onderzoekend leren is “an educational activity in which students investigate a set of phenomena –virtual or real– and draw conclusions about it” (Kuhn, Black, Keselman & Kaplan, 2000) en daarmee een prima pedagogische aanpak voor hoogbegaafde leerlingen.

Deze pedagogische aanpak is gericht op wat de individuele leerling doet voor, tijdens en/of na het oplossen van een probleem (Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999). Voor Onderzoekend Leren is reflectief denken noodzakelijk, iets dat door de social constructivist theorie wordt omschreven als (Lin et. al, 1999):

  1. een actief, bewust en betekenisvol proces van onderzoeken, ontdekking en leren,
  2. het begrijpen door de leerling van zichzelf in een variëteit aan contexten op het gebied van organiseren van de leeromgeving, monitoren van eigen verrichtingen, en evalueren van het eigen leerproces,
  3. sociale interacties met de bedoeling om meerdere perspectieven en feedback te verkrijgen op eigen handelen en begrip.

Scientific Reasoning Processes (SRP)

Ook al hebben onderzoekers tamelijk verschillende opvattingen over het onderzoekend leerproces, ze zijn het er over eens dat het proces op zijn minst vier stappen bevat: Hypothese generatie, verzamelen van data, interpreteren van bewijs en trekken van conclusies (Chang, Sung & Lee, 2003). Onderzoekend leren ligt het dichtste bij het authentieke onderzoeken, de kern van Inquiry Learning (Onderzoekend Leren) zijn de Scientific Reasoning Processes (SRP) zoals beschreven door Zimmerman (2000).

De Jong (2006) heeft de SRP ingebed in een model onder de naam ‘Constitutive Cognitive Processes Model’ (CCPM) (bijlage 2). Dit model is praktisch toepasbaar als pedagogisch model voor leerling en docent.

Het CCPM bestaat uit twee simultaan lopende processen te weten de Transformative Processes en de Regulative Processes. Indien een leerling in voldoende mate reflectief kan denken, is het de bedoeling dat deze regie voert over beide processen. Is het niveau van reflectief denken onvoldoende, dan verzorgt een leerling de Transformative Processes.

Transformative Processes

De Transformative Processes in schema ziet er als volgt uit (fase 2, 3 en 4 zijn de zich herhalende SRP):

  1. Oriëntatie fase, waarin de leerling variabelen en relaties gaat identificeren (De Jong, 2006). Het wetenschappelijk denkproces begint met het ontwikkelen van een voorstelling van het probleem, om daaruit een oplossing te genereren binnen een serie beperkingen (Zimmerman, 2000). De leerling realiseert zich de beperkingen van de in zijn eigen geheugen opgeslagen kennis.
SRP start
  1. Hypothese fase, waarin de leerling beweringen of groepjes van beweringen gaat formuleren of zelfs een model kan ontwerpen (De Jong, 2006). De leerling moet minder ontwikkelde oplossingstrategieën durven los te laten en open staan om nieuwe meer ontwikkelde strategieën aan te nemen welke de voorkennis misschien wel tegen spreken (Zimmerman, 2000).
  2. Experimenteer fase, waarin de leerling voorspellingen doet, deze aan de praktijk toetst en de uitkomsten weet te interpreteren (De Jong, 2006). De leerling ontdekt de kracht van zijn/haar eigen observaties door een gestructureerde aanpak van experimentele testen (positief/negatief test), waarin de leerling causale verbanden weet te leggen door een Vary One Thing At a Time (VOTAT) of Hold One Thing At a Time (HOTAT) strategie (Zimmerman, 2000).
  3. Conclusie fase, waarin de leerling de validiteit van zijn/haar hypotheses gaat controleren (De Jong, 2006). De leerling heeft daarbij de moeilijke taak om eigen regels aan te nemen of te weerleggen op basis van de feedback uit de vorige fases (Zimmerman, 2000). Zogenoemde ‘Scientists’ zullen dan bepalen welke factoren tijdens de vorige fases een verschil hebben gemaakt en welke niet, terwijl zgn. ‘engineers’ zullen streven naar een optimalisatie van het proces of het bereiken van een effect (Zimmerman, 2000).
SRP einde
  1. Evaluatie fase a, waarin de leerling reflecteert op de gehele Transformative Processes (De Jong, 2006). De leerling moet daarvoor de resultaten uit het proces en de gedane voorspellingen van de nieuwe hypothese vergelijken (Zimmerman, 2000).

Regulative Processes

Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal ziet het op school meestal fout gaan in de begeleiding van leerkrachten. Die weigeren aandacht te besteden aan drie essentiële aspecten van leren. Planning om overzicht te houden in het geleerde (middels een agenda of een taakbriefje (Dalton)). Doordat hoogbegaafde kinderen dat nooit is aangeboden, lopen ze vast in het voortgezet onderwijs. Want zonder planning, kan zelfs een hoogbegaafde niet leren.

De volgende belangrijke factor van leren is het hebben van een overzicht over eigen leeropbrengst. Waardoor een kind weet dat het wat heeft onthouden en begrepen van de leerstof. Want ook voor hoogbegaafden komt het leren niet vanzelf aan waaien. Als een hoogbegaafde naar VWO gaat, is het aanbod aldaar dermate overweldigend. In dat geval moet de hoogbegaafde leerling ook middelen hebben om te merken dat het leert. Anders is uw kind hopeloos verloren in bergen leerwerk. In de meeste gevallen haakt uw kind dan af onder het mom dat school ‘kut’ is of ‘onnodig’. Meestal deugd de leerkracht of docent niet volgens uw hoogbegaafde leerling.

Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal hoopt op deze site duidelijk te maken dat het probleem daar niet ligt.

Evaluation breflection on the acquired knowledge
Planningoutlining a schedule for the inquiry process
Monitoringmaintaining an overview of the inquiry process and the developing knowledge

Werk

School en werk mag u niet los zien van elkaar. Het ontbreken van de juiste motivatie tot leren op school, kan zorgen dat uw kind zich niet prettig gaat voelen op het werk. Een probleem dat weliswaar pas na de schoolperiode komt, maar het ongelukkig voelen in een baan, begint al op school.

School en werk mag u niet los zien van elkaar.

Diploma

School is het grootste probleem van hoogbegaafde leerlingen. Dat ligt aan het instituut school, dat de afgelopen 100 jaar niet is aangepast aan de tijd. Dit is op zich niet iets waar u of Twents Centrum voor Hoogbegaafdheid Oldenzaal iets aan kan doen. Zelfs OCW of een minister lukt het niet om in de hoofden van leerkrachten en docenten eindelijk de knop om te zetten. Aandacht voor het onderwerp school, komt dus door de aandacht op uw kind te leggen.

School - Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal richt zich op de kern.  (BLOG-Categorie: Hoogsensitief en Ontwikkelingsvoorsprong) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl

Onderwijs

School maakt onderdeel uit van het verplichte institutionele onderwijs aanbod. Wat wil zeggen dat het politiek gemotiveerd is en bedacht door ambtenaren. Veel hoogbegaafde kinderen vragen zich terecht af, waarom ze op school niets leren. Leerkrachten en docenten hebben niet de neiging aan te geven dat het doel van school niet het aanleren van kennis is. School heeft tot doel kinderen klaar te stomen voor een maatschappelijke taak, in veel gevallen tot arbeidskracht.

School - Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal geeft bijles aan hoogbegaafden. Dat is nodig om plezier in leren te krijgen. T: 0541-531348 M: info@tcvho.nl

Referenties

Brummelhuis, A. ten, & Kuiper, E. (2008). Driving forces for ICT in learning. In: J. Voogt & G. Knezek (Eds.), International Handbook of Information Technology in Primary and Secondary Education. (pp 97-111). Springer.

Chang, K.E., Sung, Y.T., Lee, C.L. (2003). Web-based collaborative inquiry learning. Journal of  Computer Assisted Learning, 19, 56-69.

De Jong, T. (2006a). Computer simulations: Technological advances in inquiry learning. Science, 312, 532-533.

De Jong, T. (2006b). Scaffolds for Scientific discovery learning. Advances in learning and instruction series. Handling complexity in learning environments. 107-111.

De Jong, T., & van Joolingen, W. R. (1998). Scientific discovery learning with computer simulations of conceptual domains. Review of Educational Research, 68, 179-202.

Kuhn, D., Black, J., Keselman, A., & Kaplan, D. (2000). The development of cognitive skills to support inquiry learning. Cognition and instruction, 18(4), 495-523.

Lin, X., Hmelo, C., Kinzer, C. & Secules, T. (1999). Designing technology to support reflection. Educational Technology, Research and Design (ETR&D), 47(3), 43-62.

Mönks, F.J., & Ypenburg, I.H. (1993). Hoogbegaafde kinderen thuis en op school. Assen, Dekker en van de Vegt, 1993.

Span, P., (1988). Onderpresteren op school door hoogbegaafde leerlingen. Tijdschrift voor orthopedagogiek, kinderpsychiatrie en klinische kinderpsychologie, 13.

Vries, H. de (1996). Intelligente kinderen; Een handleiding voor opvoeders. Amsterdam.

Zimmerman, C. (2000). The development of scientific reasoning skills. Developmental Review, 20, 99 – 149.


Onderpresteren

Onderpresteren is een veelvoorkomende term bij het onderwerp hoogbegaafdheid. De term is dan ook zelf definiërend, ‘onderpresteren’ betekent letterlijk ‘onder het eigen niveau presteren’. Sommige hoogbegaafde leerlingen laten erg duidelijk zien dat zij op intellectueel niveau verder zijn dan de rest. Dit zijn de leerlingen die vaak als eerste klaar zijn, hun werk erg goed doen en altijd vragen vol plezier beantwoorden.

Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal hecht niet al te veel waarde aan deze term. Dit omreden dat het feitelijk wil zeggen dat uw kind, wordt afgezet tegen ‘het gemiddelde kind’. Wat ook kan gebeuren is dat uw kind wordt gescreend, op test en toets resultaten. Over het algemeen verwerken scholen dergelijke resultaten in IT-Tools als Magister of andere kind onterende digitale toepassingen. Uw kind heeft een eigen ontwikkeling en identiteit. UW kind is geen meetinstrument om te kijken hoe de school het doet en of het bestuur meer loon moet krijgen. Uw kind is en blijft Uniek en dat moet zo blijven.

Onderpresteren -Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal richt zich op de kern.  (BLOG-Categorie: Hoogsensitief en Ontwikkelingsvoorsprong) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl

Doordat schoolsystemen uw kind volledig murw kunnen maken, met depressie of zelfmutilatie tot gevolg. Alleen om die reden is het van belang aandacht te hebben voor volgende drie groepen kinderen. Die zijn helaas gedefinieerd in de wetenschap met de term onderpresteerder. Kortom er zijn hoogbegaafden die geen hoge prestaties leveren, daarin zijn drie groepen te onderscheiden:

De sociale onderpresteerder

De leerling past zich aan het niveau van de klas en de verwachtingen van de leerkracht aan, omdat dit als het ‘veiligst’ wordt ervaren door de leerling. Doet bewust zijn best om niet op te vallen om zodoende door de groep geaccepteerd te worden. Kan bewust voor onderpresteren kiezen uit sociale motieven zoals het verlangen om bij een groep te horen. Daarvoor kan de leerling in het begin van de basisschool klasgenoten goed in de gaten hebben gehouden en hun gedrag en prestaties hebben geïmiteerd. De sociale onderpresteerder is voor het behalen van het doel om erbij te horen, zelfs persoonlijke prestaties gaan aanpassen aan het gemiddelde van de groep.

De ontmoedigde onderpresteerder

De leerling is ontmoedigd doordat het keer op keer zijn neus heeft gestoten in het onderwijsleerproces. Dit is het geval wanneer de leerling voortdurend op een voor hem te laag ontwikkelingsniveau wordt aangesproken op school. De leerling krijgt daardoor het gevoel niet goed begrepen te worden. Veelal omdat de leerstof op geen enkele wijze voldoet aan de leerbehoeften. Daardoor verliest de leerling zijn motivatie en ontwikkelt het een slechte/negatieve werkhouding. In het ergste geval raakt de leerling geblokkeerd en kan het gevoel krijgen tot niets in staat te zijn. Fundamentele zelftwijfel kan het gevolg zijn, waardoor de leerling in een negatieve spiraal raakt en daar niet zelfstandig uit kan ontsnappen.

De perfectionistische onderpresteerder

De leerling is perfectionistisch ingesteld en ontwikkelde faalangst doordat het te hoge eisen aan zichzelf oplegt. Veelal gaat een perfectionistische onderpresteerder eigen werk niet of onvoldoende vergelijken met dat van anderen. De norm is meestal een eigen voorstelling van wat het eindproduct moet zijn, in veel gevallen een perfect product en als dat niet kan verkiest het voor helemaal geen resultaat. Een perfectionistische onderpresteerder heeft door deze werkwijze geen reëel zelfbeeld gecreëerd, doordat het niet in staat is aan de werkelijkheid te reflecteren.

De faalangst die het heeft ontwikkeld in de loop der tijd is dus niet tegenover de leerkracht of medeleerlingen, maar ten opzichte van een perfect zelfbeeld. De leerling denkt van zichzelf uit dat het geen fouten mag maken en zit daardoor eigen ontwikkeling behoorlijk in de weg. Het remmende karakter van het in kleine stapjes aanbieden van leerstof, zou de motivatie van de leerling kunnen doen afnemen tot een zo laag niveau dat de leerling kan gaan onderpresteren (Mönks & Ypenburg, 1993; de Vries, 1996; Span, 1988). Het eerste leertechnische aspect van aanspreken van motivatie is gelegen bij processen in de leerlingen zelf. Het onderwijsleerproces van de leerling moet bij voorkeur bestaan uit een frequent reflecteren op de kwaliteit van het geleerde (Bransford & Nitsch, 1978, in Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999).

Daarnaast moet de leerling in staat zijn van gedachten te kunnen veranderen gedurende het proces, voorkennis met nieuwe kennis te kunnen koppelen en in staat zijn nieuwe informatie te vergaren of toe te kunnen voegen aan bestaande kennis (Bransford et al., 2000; Wiske et al., 2001; in ten Brummelhuis et al., 2008). Deze vaardigheden staan in de literatuur bekend als ‘Meta-cognitief denken’ (Brown, Bransford, Ferrara, & Campione, 1983; Flavell, 1987, in Lin et al., 1999) en worden gezien als een belangrijke component voor het succesvol aanleren van nieuwe domeinen, het effectief mobiliseren van voorkennis en het organiseren van informatie en informatiebronnen (Bransford & Stein, 1993; Brown et al., 1983; Scardamalia & Bereiter, 1991, in Lin et al., 1999). Een manier van denken welke een springplank is voor zelf-monitoring, zelf-correctie, zelf-motivatie van de leerling (Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999).

Referenties

Brummelhuis, A. ten, & Kuiper, E. (2008). Driving forces for ICT in learning. In: J. Voogt & G. Knezek (Eds.), International Handbook of Information Technology in Primary and Secondary Education. (pp 97-111). Springer.

Chang, K.E., Sung, Y.T., Lee, C.L. (2003). Web-based collaborative inquiry learning. Journal of  Computer Assisted Learning, 19, 56-69.

De Jong, T. (2006a). Computer simulations: Technological advances in inquiry learning. Science, 312, 532-533.

De Jong, T. (2006b). Scaffolds for Scientific discovery learning. Advances in learning and instruction series. Handling complexity in learning environments. 107-111.

De Jong, T., & van Joolingen, W. R. (1998). Scientific discovery learning with computer simulations of conceptual domains. Review of Educational Research, 68, 179-202.

Kuhn, D., Black, J., Keselman, A., & Kaplan, D. (2000). The development of cognitive skills to support inquiry learning. Cognition and instruction, 18(4), 495-523.

Lin, X., Hmelo, C., Kinzer, C. & Secules, T. (1999). Designing technology to support reflection. Educational Technology, Research and Design (ETR&D), 47(3), 43-62.

Mönks, F.J., & Ypenburg, I.H. (1993). Hoogbegaafde kinderen thuis en op school. Assen, Dekker en van de Vegt, 1993.

Span, P., (1988). Onderpresteren op school door hoogbegaafde leerlingen. Tijdschrift voor orthopedagogiek, kinderpsychiatrie en klinische kinderpsychologie, 13.

Vries, H. de (1996). Intelligente kinderen; Een handleiding voor opvoeders. Amsterdam.

Zimmerman, C. (2000). The development of scientific reasoning skills. Developmental Review, 20, 99 – 149.

Hoogbegaafdheid

Theoretische achtergrond

  1. Hoge Intellectuele Capaciteiten (‘Hoogbegaafdheid problematiek’),

Hoogbegaafdheid betekent motivatie, creativiteit en IQ die, gemeten met een WISC of WAIS intelligentietest, boven het gemiddelde ligt. Dit wordt meestal uitgedrukt met een Intelligentie Quotiënt (IQ). Hierbij gaat men ervan uit dat het IQ in dat geval rond of boven 130 ligt. Men spreekt ook wel van de bovenste 5 tot 10 procent. Om van hoogbegaafdheid te kunnen spreken moeten in ieder geval de volgende drie persoonlijkheidskenmerken aanwezig zijn: hoge intellectuele capaciteiten, creativiteit en motivatie.

Ook sociale competentie (dit wil zeggen dat het kind in staat is met anderen op een positieve manier om te gaan) is hierbij belangrijk, omdat de mens een sociaal wezen is. Een bijzondere begaafdheid kan zich uiten in motorische, sociale, artistieke en hoge intellectuele vaardigheden. Vaak treden deze begaafdheidsvormen gecombineerd op. Daarnaast bestaat er bijzondere getalenteerdheid op een specifiek gebied, zoals muziek. Het hebben van aanleg op één of meer van de genoemde gebieden is niet genoeg. Iedere vorm van aanleg heeft begeleiding en stimulering nodig om zich te kunnen ontwikkelen. De sociale omgeving speelt hierbij een belangrijke rol.

Kinderen met hoogbegaafdheid worden vaak belemmerd bij de realisering van hun aanleg. Hoogbegaafdheid op zich is geen probleem, tot deze kinderen zich moeten aanpassen aan de geldende norm, die ver beneden de eigen norm ligt. Als het niet erkend en herkend wordt dat deze kinderen toe zijn aan andere activiteiten dan hun leeftijdgenootjes, dan kunnen er wel problemen ontstaan.

Hoogbegaafdheid – Kenmerken

Er zijn enkele kenmerken van hoogbegaafdheid, maar deze kenmerken zijn niet op alle hoogbegaafde kinderen van toepassing:

  • Zij hebben vaak een intellectuele belangstelling die ver boven hun leeftijd ligt.
  • Hoogbegaafde kinderen vallen vaak al op jonge leeftijd, omdat ze zeer nieuwsgierig en leergierig zijn.
  • Ze blijken over veel energie te beschikken, waardoor ze onvermoeibaar lijken te zijn.
  • Ze kunnen taakgericht en geconcentreerd met iets bezig zijn, maar ook met verschillende taken tegelijk.
  • Naast een goed en uitstekend geheugen en een brede belangstelling hebben zij vaak een apart gevoel voor humor.
  • Ze zijn vaak perfectionistisch, zelfstandig en willen alles op een eigen manier doen.
  • Vaak denken hoogbegaafde kinderen al op drie- of vierjarige leeftijd na over de zin van het leven en stellen hier indringende vragen over.
  • Sommigen leren zichzelf als kleuter lezen en schrijven.
  • Ze hebben een vroege ontwikkeling van getalbegrip en een eigen manier van rekenen.
  • Passieve woordenschat, het leggen van verbanden, begrip van causale verbanden, objectpermanentie en psychomotoriek ontwikkelen hoogbegaafde kinderen eerder.

Het gaat hier vooral om de verklaring van wat hoogbegaafdheid is en hoe deze tot uitdrukking komt.

Hoogbegaafdheid – Modelverklaringen

De veel voorkomende opvatting “hoogbegaafden zijn personen die opvallen door hoge intellectuele capaciteiten en bijzondere prestaties” komt men telkens weer tegen in de modelverklaringen die hierna komen.

  1. Capaciteitenmodellen,
  2. Cognitieve-componenten-modellen,
  3. Prestatie georiënteerde modellen,
  4. Sociocultureel georiënteerde modellen.

(Deze vier genoemde opvattingen sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan.)

Verklaringsmodellen voor hoogbegaafdheid

De capaciteitenmodellen gaan ervan uit dat hoge intellectuele capaciteiten die reeds op jonge leeftijd vastgesteld kunnen worden stabiel blijven. Meestal zullen deze personen pas als ze volwassen zijn bijzondere prestaties leveren. Rond 1920 werd intelligentie gemeten en uitgedrukt in een getal, genaamd intelligentiequotiënt of IQ (Terman in Mönks & Ypenburg, 1993). Dit getal werd bepaald op basis van de normaal verdeling der waarden die ontstond uit de gemeten waarden van de door Terman afgenomen test. In 1954 voegde Terman, op basis van vele jaren van verzamelen van onderzoeksgegevens, daar aan toe dat uithoudingsvermogen en een positief ondersteunende omgeving een rol spelen in de stabilisatie van dat gemeten IQ.

De cognitieve-componenten-modellen richten zich vooral op de informatieverwerkingsprocessen. Zij hebben belangstelling voor kwalitatieve verschillen bij deze processen. In deze modellen speelt het gemeten intelligentieniveau (IQ-getal) een ondergeschikte rol en komt de vraag waarin hoogbegaafde kinderen zich onderscheiden in de manier van denken ten opzichte van niet als hoogbegaafd aangemerkte kinderen meer op de voorgrond. Sommige vertegenwoordigers van deze richting stellen voor om niet van IQ maar van QI te spreken: kwaliteit van informatieverwerking.

De prestatie-georiënteerde-modellen gaan uit van potentie en van gerealiseerde potentie (prestaties). Potentie is een voorwaarde om te komen tot bijzondere prestaties. Niet bij alle kinderen wordt het aanwezige potentieel ontwikkeld. De belangrijkste belemmeringen liggen vaak in de directe omgeving van het kind doordat de bijzondere gaven niet onderkend worden. De voorwaarden sluiten aan op de omgevingsfactoren zoals eerder genoemd bij de capaciteiten modellen. Lang niet alle kinderen kunnen hun potentieel volledig ontwikkelen, omdat de omgeving onvoldoende stimulerend is (Tannenbaum, 1950; in Mönks & Ypenburg, 1993). Elk kind wordt in beginsel geboren met begaafdheden, maar de mogelijkheden tot ontwikkeling van dit potentieel heeft te maken met het bij een leerling voldoende aanwezig zijn van doorzettingsvermogen en motivatie (Gagné in Mönks & Ypenburg, 1993).

Sociocultureel-georiënteerde-modellen

De sociocultureel-georiënteerde-modellen gaan ervan uit dat alleen bij een gunstige samenwerking van individuele en sociale factoren hoogbegaafdheid tot uitdrukking kan komen. Hoogbegaafdheid kent geen genetische of sociaal-culturele stabiliteit, de waardering van eerder genoemde prestaties is in hoge mate afhankelijk van bijvoorbeeld politieke en economische aspecten. Onderstaande model gaat uit van de onderlinge interactie van persoonlijkheidsfactoren, die wordt uitgedrukt in drie elkaar overlappende cirkels

(Renzulli, 1978; in Mönks & Ypenburg, 1993):

  1. hoge intellectuele capaciteiten.
  2. creativiteit,
  3. taakgerichtheid,

Deze persoonlijkheidsfactoren worden beïnvloed door onderstaande drie sociale contextfactoren

(Mönks, 1985; in Mönks & Ypenburg, 1993):

  1. school,
  2. vriendenkring,
  3. gezin.

Hoogbegaafdheid wordt door Mönks en Ypenburg omschreven als een leerling met een intelligentie Quotient (IQ) van 130 of hoger.

Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal heeft als uitgangspunt dat jij het als hoogbegaafde voor het zeggen hebt.
Hoogbegaafdheid wordt door Mönks en Ypenburg omschreven als een leerling met een intelligentie Quotient (IQ) van 130 of hoger.

Het triadisch interdepentiemodel (Mönks & Ypenburg, 1993).

  • Creativiteit (‘Het onvoldoende hebben lerenleren’),

Creativiteit is het vermogen om op een originele en vindingrijke wijze oplossingen voor problemen te bedenken. Creativiteit komt ook naar voren bij het bedenken van problemen.

  • Motivatie (‘Ontbreken van doorzettingsvermogen als het moeilijk wordt’).

Motivatie is de wil en het doorzettingsvermogen van iemand om een bepaalde taak of opdracht tot een goed einde te brengen. Motivatie betekent ook dat men zich aangetrokken voelt tot een bepaalde taak, dat men er plezier in heeft, maar ook dat men doelstellingen, plannen kan maken.

  • Identiteit (‘Het niet lekker in zijn vel zitten’),

Hoogbegaafde kinderen kunnen ook minderwaardigheidsgevoelens ontwikkelen en ernstig depressief worden, doordat zij niet snappen dat leeftijdgenoten anders denken, voelen en problemen oplossen dan zij.

Hoogbegaafdheid - Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal test IQ met WISC of WAIS & de Creativiteit en Motivatie.  (BLOG-Categorie: Hoogbegaafdheid Testen) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl

Opvoedingsadviezen Hoogbegaafdheid:

Zowel thuis als op school is het belangrijk om het kind op de juiste manier te stimuleren. Want men kan een onderscheid maken tussen een stimuleringsrijke en een stimuleringsarme omgeving in materiële en pedagogische zin. Als men kijkt naar de materiële stimulering kan dit van alles zijn, zowel boeken, muziek en muziekinstrumenten als knutselgereedschap, speelgoed en “waardeloos” materiaal waar van alles van te maken is. Alleen de aanwezigheid van gevarieerd materiaal is niet genoeg, het is aan de ouders om kinderen zo nu en dan op een idee te brengen, het kind (als het dat wil) ergens bij te helpen, of met het kind samen iets te ondernemen.

Juiste stimulering betekent dus dat men gebruik maakt van beschikbare middelen zonder het kind iets op te dringen waar het geen belangstelling voor heeft, of het met zoveel informatie, ideeën en bezigheden te overspoelen dat het zelf nauwelijks aan een keuze toekomt of geen rust meer krijgt om “niks” te doen.

Verrijken en versnellen

Op school zijn er twee mogelijkheden om het hoogbegaafde kind te stimuleren en te begeleiden: verrijking en versnelling.

Onder versnelling wordt in het algemeen het overslaan van één of meer klassen verstaan, maar ook de vroegere toelating tot een schooltype, basisschool of voorgezet onderwijs. Ook het sneller doorwerken van de leerstof valt hier onder.

Met verrijking bedoelt men verbreding en verdieping van de leerstof. Het is namelijk zo dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen meer leerstof kunnen verwerken en dit ook in een sneller tempo kunnen. Verrijking kan op verschillende manieren gebeuren. Uitgangspunt bij de keuze van een onderwerp moet de persoonlijke interesse of aanleg van het kind zijn. Waardoor het voor veel scholen moeilijk lijkt te zijn om hoogbegaafde kinderen gewoon in de klas te houden.

Toch is het belangrijk dat hoogbegaafde kinderen niet in aparte zogenaamde hoogbegaafde klassen of scholen als einzelgänger worden opgevoed. Hoogbegaafde kinderen als zodanig bestaat niet. Ieder kind heeft immers recht op een uitdagende leeromgeving, laag begaafde leerkrachten en scholen is wel een probleem.

Schoolkind Hoogbegaafd

Schoolkind Hoogbegaafd is het kind tussen de zes en twaalf jaar oud. Het schoolkind brengt een groot deel van zijn tijd door op school. De school heeft een enorme invloed op de cognitieve, de sociale en de persoonlijkheidsontwikkeling van het schoolkind. Het kind doet op school onder andere schoolse kennis, mensen kennis en zelfkennis op.

De vriendenkring wordt van steeds groter belang voor het schoolkind. Niet langer is de mening van de ouders doorslaggevend, maar die van de vriendjes en de vriendinnetjes. Het schoolkind wil daarbij in geen geval opvallen.

Het schoolkind is een kind dat steeds meer in de wereld staat. Zij is gericht op het leren kennen van de realiteit en op het verwerven van zelfstandigheid. Kenmerkend voor deze periode is de weetdrang (Verhulst, 2003).

Lichamelijke ontwikkeling

Schoolkind Hoogbegaafd wijkt in veel gevallen niet veel meer af van het schoolkind. Want wat betreft lengtegroei en gewichtstoename komt uw kind in een wat rustigere periode terecht, in vergelijking tot de eerste zes levensjaren. Gemiddeld genomen groeit een schoolkind ongeveer 5 tot 6 centimeter per jaar. Tot het tiende jaar is een jongen daarbij iets groter dan een meisje, maar vanaf deze leeftijd verandert dit: een meisje is dan gemiddeld groter dan de jongen, omdat de groeiversnelling bij een meisje eerder begint. Deze groeiversnelling maakt deel uit van de lichamelijke veranderingen die de puberteit kenmerken.

Net als de kleuter is het schoolkind erg beweeglijk. Het stilzitten op school kan alleen worden opgebracht wanneer het kind zich in de pauzes flink kan uitleven. Bewegingsspelletjes zijn veruit favoriet.

Schoolkind Hoogbegaafd kan nog steeds motorisch wat onhandiger zijn dan leeftijdgenootjes. De ontwikkeling is meestal in de loop van die jaren bijgetrokken. Tijdens de schoolkindfase is er sprake van verdere verbetering van de fijne motoriek: dit is onder andere te zien aan het handschrift van een schoolkind. Daarbij leren ze ook nieuwe motorische vaardigheden, zoals gooien en fietsen (Carr, 1999). Echter de meeste basisvaardigheden hebben kinderen nu onder de knie. (Van Keulen et al., 1995).

Cognitieve ontwikkeling

Schoolkind Hoogbegaafd blijft vooral op cognitief vlak sterk in ontwikkeling. Bij zowel de peuter als de kleuter speelt de fantasie een grote rol bij het denken; bij het schoolkind is dit niet het geval. Want Schoolkind Hoogbegaafd, stapt meestal moeiteloos over in een goed onderscheid maken tussen wat al of niet waar is, wat al of niet kan. In het hoogbegaafd metier spreken we vaak van “rechtvaardigheidsgevoel”. In de ontwikkelingspsychologie ligt de nadruk op realiteitsdenken.

Realiteitsdenken

Het schoolkind staat met beide benen in de wereld en ziet de zaken zoals die werkelijk zijn. Zo rond de leeftijd van zeven jaar leidt dit realiteitsdenken tot een duidelijke toename van angstgevoelens. Kinderen kunnen niet slapen of komen met angstige vragen uit bed. Naast het realiteitsdenken is er sprake van logisch denken. Een schoolkind is goed in staat om te zien wat de oorzaak en wat het gevolg van iets is. Zij is in staat tot ordenen, tot het leggen van logische verbanden.

Abstract denken

Schoolkind Hoogbegaafd kan uitblinken in het abstraheren van zaken. In een mate waar de eigen ouders niet aan kunnen tippen en de leerkracht van in de contramine schiet. In veel gevallen vormt dat denken de basis van ouder gesprekken. De leerkracht ziet dat het eigen lesplan in de war wordt geschopt doordat de hoogbegaafde al vele stappen verder is.

Ook het abstract denken komen we in toenemende mate tegen bij het schoolkind. Dus op zich is het niet vreemd, maar als het abstraheren sterker is dan dat van een gemiddelde leerling, loopt de leerkracht vast in zijn rigide vorm van lesgeven. Abstract denken heeft betrekking op het denken over zaken die niet direct waarneembaar zijn en die ook niet rechtsreeks worden ervaren.

Volgens Piaget leert het kind in de periode van 7 tot ca. 11 jaar het volgende:

  • Het kind kan zich voorstellingen maken van een reeks activiteiten. Het kan een plan maken en ruimtelijkheid in kaart brengen.
    • Het kind begrijpt dat lengte, massa, gewicht en aantal constant blijven, ongeacht verandering in uiterlijke verschijningsvormen
    • Het kind begrijpt relaties als de broer van, enz. Het kind realiseert zich dat begrippen als donkerder of zwaarder geen absolute begrippen zijn, maar de relatie tussen twee objecten aangeven. (relatie-begrip).
    • Het schoolkind kan tegelijkertijd over delen en gehelen praten. Het heeft begrip van onderverdeling in klassen.
    • Het kind kan voorwerpen rangschikken naar een bepaalde dimensie.
    • Het kind leert het tegenovergestelde van een handeling doen.
    • Rond 11-12 jaar overgang naar systematisch en rationeel denken (rijp voor voortgezet onderwijs).

(Tychon, 2004).

Prestatiegerichtheid

Schoolkind Hoogbegaafd is niet per definitie (meer) gericht op prestatie. We zien een snelle en enorme toename van allerlei vaardigheden. Uw kind leert schoolse vaardigheden (bijvoorbeeld schrijven, rekenen, lezen), wordt sociaal veel vaardiger en ook motorisch gezien veel behendiger en vaardiger. Het valt hierbij op dat de meeste kinderen leergierig en prestatiegericht zijn. Het kind kan meer aandacht en concentratie opbrengen (Verhulst, 2003). Zij vindt het fijn wanneer haar inspanningen en resultaten gewaardeerd worden door bijvoorbeeld de leerkracht. Is dat niet het geval dan spreken we van onderpresteren.

  • Leren op school

Het schoolkind brengt veel tijd op school door. De basisschool is daarbij van oudsher gericht op het aanbrengen van cognitieve kennis en vaardigheden, maar ook op maatschappelijk vlak speelt school een belangrijke rol. De school bereidt het kind voor op het functioneren in een maatschappij die steeds ingewikkelder wordt en die steeds meer eisen aan de mensen stelt. Daarnaast levert de school een belangrijke bijdrage aan de sociale ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind.

Schoolkind Hoogbegaafd - Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal merkt dat scholen niet aansluiten op hoogbegaafden.  (BLOG-Categorie: Onderwijs en School) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl

Leergeschiktheid

Schoolkind Hoogbegaafd botst vaak tegen het keurslijf waarin de basisschool het kind dwingt. Het gemak waarmee een kind zich bovengenoemde kennis en vaardigheden eigen maakt, verschilt van kind tot kind. Hoogbegaafdheid wil niet per definitie zeggen: “Makkelijk leren”. De individuele verschillen in leergeschiktheid worden door meerdere zaken bepaald:

– Allereerst speelt het sociale milieu waaruit het kind afkomstig is van groot belang

– Ten tweede speelt de persoonlijkheid van het kind een grote rol

– Ten derde spelen ook de intellectuele vermogens van het kind een rol

Of een kind het op school naar de zin heeft hangt niet alleen af van zijn leergeschiktheid. Op school zitten is voor een kind vooral ook: bij een bepaalde meester of juf in de klas zitten. De rol van de leerkracht is van groot belang voor de ontwikkeling van het kind:

– Is degene die het kind al dan niet stimuleert bij het leren op school,

– Draagt diens normen en waarden uit, draagt bepaalde omgangsregels over,

– De leerkracht kan een vertrouwensfiguur zijn.

    Naast de rol van de leerkracht, hebben klasgenootjes ook een belangrijke rol in de sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling van een kind, mede doordat kinderen op school veel tijd doorbrengen met hun leeftijdsgenoten.

    Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling

    De kindertijd wordt ingedeeld in de vroege kindertijd en de late kindertijd. De scheiding ligt ongeveer op acht tot negen jaar. De vroege kindertijd is een rustige tijd, kinderen gedragen zich als eenlingen. Ze zijn taakgericht en hebben weinig problemen. Tussen de vroege en late kindertijd ligt een onrustige periode met verhoogde emotionaliteit en activiteit. Kinderen zijn druk en beweeglijk en praten en schreeuwen veel. Kinderen ontwikkelen een zelfgevoel en krijgen meer aandacht voor sociale relaties. Leeftijdgenootjes worden belangrijk.

    De kring van sociale relaties wordt groter bij het schoolkind. Naarmate het kind ouder wordt, richt het zich meer op leeftijdgenootjes en minder op het gezin. In sociaal opzicht leeft het schoolkind in drie milieus: thuis, op school en in zijn vriendenkring. Naarmate het kind ouder wordt richt hij zich steeds meer op leeftijdgenootjes en steeds minder op het gezin.

    De groepjes leeftijdgenootjes die veel met elkaar optrekken worden ook wel aangeduid met de term peer group (een peer group is een groep van gelijken, in dit geval van gelijken in leeftijd). In de late kindertijd zijn kinderen rustiger, ze zijn prestatiegericht en weet- en leergierig. Ze streven naar goede relaties met anderen en passen zich gemakkelijk aan.

    Ontwikkelingstaken

    In de periode dat het kind op de basisschool zit, zal het tegen een aantal ontwikkelingstaken oplopen. Ontwikkelingstaken stellen het kind voor problemen waar het kind op één of andere manier uit moet zien te komen. Hoe goed dit lukt, bepaalt het succes van slagen op de volgende taken. Wanneer een kind niet opgewassen is tegen een taak, lukt het hem niet om een oplossing te vinden.

    Het kind doet op zo’n moment een beroep op anderen voor sociale ondersteuning. Het kunnen terugvallen op een ander als je er zelf niet meer uitkomt, is een belangrijk aspect van menselijke relaties. De ontwikkelingstaken zijn verzamelingen van een groot aantal deeltaken. Bij de ontwikkelingstaak “omgang met leeftijdsgenoten” horen bijvoorbeeld onder andere de volgende deeltaken: sluiten van vriendschap, het oplossen van ruzies en conflicten, een ander helpen. De problemen waar het kind bij de ontwikkelingstaken tegen aan loopt, vragen om een oplossing. Als het kind zelf iets kan oplossen, leert hij hiervan, hij wordt competent. Hij zal zich hierdoor steeds beter aan weten te passen en hij zal nieuwe probleemsituaties beter de baas kunnen.

    • Omgang met leeftijdgenootjes

    Het is voor het schoolkind van het grootste belang dat hij bij ‘de groep’ hoort. Dit leidt tot conformisme: het kind past zich aan. Opvallen wil het kind in geen geval, dus doet het mee met de groep. Dergelijk volgzaam gedrag kan ertoe leiden dat het kind dingen gaat doen waar het eigenlijk niet achter staat.

    Een belangrijk en veelvoorkomend verschijnsel bij de omgang met leeftijdgenootjes is pesten. Pesten gebeurt vaak niet vanuit een afkeer van of hekel aan het slachtoffer, maar komt voort uit eigen onzekerheid en onmacht om zich anders te gedragen.

    Peers

    De groep leeftijdgenootjes (de peer group) vormt een belangrijk oefenterrein met betrekking tot de sociale ontwikkeling. In de peer group kan het kind enerzijds sociale gedragingen van anderen afkijken en anderzijds oefenen en experimenteren met deze sociale gedragingen. Schoolkinderen kijken gedrag van elkaar af en passen dit op elkaar toe. Zo krijgt het schoolkind een idee welk gedrag ‘werkt’ en welk gedrag ‘niet werkt’. Ook wordt hem duidelijk welk gedrag wel geaccepteerd wordt en welk gedrag niet. Wanneer kinderen ongeveer een jaar of 12 zijn is er sprake van een afname van het zelfvertrouwen wat kinderen in zichzelf hebben. Geleidelijk aan groeit dit zelfvertrouwen dan weer tot aan de adolescentie (Carr, 1999).

    • Omgang met volwassenen

    Het zich steeds meer richten op leeftijdgenootjes (en dus minder op volwassenen) leidt ertoe dat het oudere schoolkind het gezag van volwassenen niet meer als vanzelfsprekend ervaart. Hierin is sprake van een zekere ontwikkeling.

    Evenals de kleuter heeft ook het schoolkind identificatiefiguren. De identificatie richt zich niet meer – zoals bij de kleuter – op de ouder van hetzelfde geslacht, maar op een persoon die in de ogen van het kind een ideaalbeeld vertegenwoordigt. Vaak zijn de identificatiefiguren volwassenen die hij niet persoonlijk kent. Uit onderzoek blijkt dat zeventig procent van de act tot elfjarigen een tv-figuur noemt als antwoord op de vraag ‘Wat voor iemand zou je graag willen zijn?’. Hieruit blijkt al dat de televisie van grote invloed is op de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind.

    Thuisbasis

    Een veilige en harmonische thuisbasis is en blijft echt van het grootste belang. ‘Thuis’ blijft de basis van waaruit het kind opereert.

    • Kijken naar de televisie

    Nogal wat kinderen brengen een groot deel van hun vrije tijd door voor de televisie. Naarmate het kind ouder wordt kijkt het vaker. Zij krijgt steeds meer belangstelling voor tv-programma’s die bestemd zijn voor volwassenen.

    • Normbesef

    In de basisschoolperiode zien we een verdere ontwikkeling van het normbesef van het kind. Als het kind negen jaar is, gaat het steeds meer letten op iemands bedoelingen. In het gedrag van het kind zien we dat het kind nog geen eigen normbesef heeft. Het kind is vooral gehoorzaam om straf te vermijden. In eerste instantie gaat het dan om straf van ouders, leerkrachten en andere opvoeders. In een latere fase beseft het kind pas dat ook de maatschappij straf kan geven voor bepaalde gedragingen.

    Emotionele ontwikkeling

    De wijze waarop het schoolkind omgaat met emoties hangt nauw samen met de ontwikkeling van het sociale denken. Het schoolkind krijgt meer inzicht in menselijke relaties en in menselijke gevoelens. Zij weten dat een bepaalde situatie niet automatisch leidt tot een bepaald gevoel; zij beseffen dat mensen emoties kunnen verbergen en zich ertegen kunnen verzetten. Ook kunnen zij in toenemende mate meeleven met de dingen die zij zelf niet hebben meegemaakt. In het gedrag van het schoolkind zien we dit inzicht terug. Vaak is het schoolkind terughoudend in het uiten van gevoelens; zij verbergt ze. Pas als de gevoelens te hevig worden, pas als ze hem te veel worden, uit zij ze.

    Nogal eens wordt er van het schoolkind op emotioneel terrein te veel gevraagd. Kortom: van het kind wordt verwacht en geëist zich ook op emotioneel gebeid ‘groot’ te gedragen. Deze verwachtingen en eisen zijn overigens vaak mede gebaseerd op de wensen van het kind zelf.

    Seksuele ontwikkeling

    De seksuele ontwikkeling tijdens de schoolkindfase staat bekend onder de naam latentiefase. De naam latentiefase heeft te maken met de oorspronkelijke gedachte dat de seksuele ontwikkeling bij het schoolkind rustig verloopt. Hedendaags onderzoek maakt duidelijk dat er eigenlijk geen sprake is van een periode van rust. Kinderen van zes tot negen jaar spelen weliswaar vrijelijk met kinderen van het anderen geslacht, maar dat betekent niet dat ze zich bewust zijn van de seksuele verschillen tussen meisjes en jongens.

    Als het kind tien jaar is, verloopt het contact met leeftijdgenootjes van het andere geslacht ineens totaal anders. Meisjes vinden jongens ‘niets aan’ en dat geldt andersom ook.

    Ook zien we dat kinderen in deze leeftijdsfase experimenteren met sekstyperend rolgedrag.

    REFERENTIE LIJST:

    Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment. Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.

    Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.

    Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.

    Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.

    Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlby’s hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.

    Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.

    Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101.

    Kohnstamm, R. (1987).  Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 2, p. 159-173

    Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.

    Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.

    Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.

    Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development

    Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.

    Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.

    Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.

    Puber Hoogbegaafd

    Puber Hoogbegaafd betreft de fase van de puberteit. Daarin vallen vooral de lichamelijke veranderingen sterk op. Onder invloed van hormonen verandert het meisje in een jonge vrouw en de jongen in een jonge man. Er is echter niet alleen sprake van lichamelijke volwassenwording, ook in psychosociaal opzicht wordt de puber meer volwassen. Er is sprake van een losmakingsproces, als ook van een individualisatieproces: het gaat om het ontwikkelen van de eigen identiteit. Veel van de individuele persoonlijkheidskenmerken die in de kindertijd worden ontwikkeld houden stand in de adolescentie en volwassenheid.

    Ontwikkeling van de adolescent

    Puber Hoogbegaafd wil niet zeggen dat uw kind alle aspecten van het puber zijn en adolescentie over slaat. In de fase van de adolescentie zien we dat de lichamelijke volwassenwording wordt voltooid. De psychosociale veranderingen daarentegen zetten zich verder voort. Veel adolescenten verlaten het ouderlijk huis. Er worden stappen gezet in de richting van meer definitieve keuzes: er is sprake van beroepskeuze of studiekeuze, men krijgt een meer of mindere vaste relatie.

    Puber Hoogbegaafd - Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal helpt ouders in de tijd van Kind > Puber. (BLOG-Categorie: Schoolkind en Pubers) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl 

    Lichamelijke ontwikkeling

    Tot aan de adolescentie is de groei van jongens en meisjes vergelijkbaar. Wanneer jongeren de adolescenten leeftijd bereiken ontstaat er een verschil tussen jongens en meisjes. Bij meisjes komt de groeispurt één tot twee jaar eerder opgang. Bij jongens is er dan vooral sprake van sneller groeien, het ontwikkelen van spieren en het ontwikkelen van bredere schouders. Meisjes krijgen bredere heupen en meer lichaamsvet (Carr, 1999)

    De puber groeit ongeveer 10 centimeter per jaar. Dit heeft tot gevolg dat een puber tijdelijk behoorlijk onhandig kan zijn op motorisch vlak. Hij groeit zo snel dat hij zelf zijn nieuwe lichaam niet kan ‘bijbenen’. Ook gevoelsmatig wordt de puber vaak door veranderingen overdonderd. Hij weet niet goed hoe om te gaan met de tegenstrijdigheid: je nog kind voelen en eruitzien als een volwassene.

    Seksuele Rijping

    Puber Hoogbegaafd groeit niet alleen in lengte en in gewicht, maar hij groeit ook uit tot een volwassenen die zich kan voortplanten. We spreken van seksuele rijping. Voor een jongen houdt de seksuele rijping onder andere in: productie van sperma, groei van de penis en groei van het schaamhaar. Voor een meisje houdt de seksuele rijping onder andere in: ontwikkeling van de borsten, groei van de eierstokken en het op gang komen van de menstruatie.

    Nogal eens schaamt een puber zich voor zijn of haar veranderende lichaam of hij/zij maakt zich zorgen. Deze schaamte en deze zorgen kunnen worden versterkt wanneer de puber tot de erg vroege of erg late rijpers behoort, maar ook ‘normale’ menselijke verschillen kunnen problemen geven. Een puber die qua lengte, lichaamsbouw, huidconditie of lichamelijke prestaties afwijkt van leeftijdsgenoten kan zich erg ellendig voelen. Het gaat hierbij niet om objectieve maatstaven, maar om de beleving van de jongere.

    Cognitieve ontwikkeling

    Op de leeftijd van 12 á 13 jaar wordt het ‘basisschooltijdperk’ afgesloten. Er wordt een keuze gemaakt voor een bepaalde school voor voortgezet onderwijs. De puber krijgt op de nieuwe school te maken met een nieuwe schoolsituatie, een andere manier van leven en veel nieuwe vakken. De overgang naar de nieuwe school valt echter vaak niet mee. Daarnaast neemt de interesse in het gestructureerd leren af. De puber is met andere zaken bezig, vooral ook met zichzelf. De puber is meer geïnteresseerd in het leren van anderen: van leeftijdsgenoten.

      Kijken we naar het denken van de puber en de adolescent dan zien we dat er sprake is van abstract en kritisch denken. Volgens Piaget is hiermee de cognitieve ontwikkeling afgesloten, dit gebeurt over het algemeen na het elfde levensjaar. Het vermogen om abstract te denken komt de puber op school goed van pas. De puber gebruikt het vermogen tot abstract denken echter ook in het contact met leeftijdsgenoten en in het nadenken over onderwerpen als oorlog, milieuvervuiling en goed en kwaad. Tezamen met de kritische houding van de puber leidt dit nadenken en praten vaak tot forse kritiek op de bestaande maatschappij.

      Puber Hoogbegaafd en Kritisch denken

      Het kritische denken van de puber is ook gericht op de ouders. Veel van wat de ouders vinden en doen en wat vroeger vanzelfsprekend was, wordt in twijfel getrokken. De puber neemt afstand van de normen en waarden van het gezin. Het kritische denken van de puber is eveneens gericht op zichzelf. Met name het uiterlijk en de lichamelijke veranderingen worden zeer kritisch bekeken. Omdat de puber veel met zichzelf bezig is, leidt dit nogal eens tot egocentriciteit. Het reflectieve denken ontwikkelt zich. Dit kan leiden tot gevoelens van depressie en ontevredenheid ten gevolge van het bewust worden van een verschil tussen hoe het is en hoe het zou moeten zijn. (Kohnstamm, 1987). 

      Ook bij adolescenten zien we het abstracte en kritische denken terug. Het denken van de adolescent richt zich veelal op gevestigde, vaststaande waarden, normen en ideeën. Waar de puber niet verder komt dan kritiek, en blijft steken in het overnemen van ideeën van anderen of in het afzetten tegen de ouders, ontwikkelt de adolescent meer eigen, nieuwe ideeën. Hij ontwikkelt zijn eigen visie op het gebied van religie, politiek, economie of milieu. Ook bij een adolescent zien we dat hij het kritische denken op zichzelf richt. Er is sprake van zelfreflectie, die leidt tot zelfbeoordeling en zelfkritiek. Hieruit blijkt duidelijk dat het denken van de jongere een duidelijke functie heeft voor de ontwikkeling van de identiteit.

      Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling

      • Losmakingsproces

      Wat betreft de sociale ontwikkeling kenmerkt de jongere zich door een losmakingsproces.

      De jongere wil:

      – Zelfstandig zijn

      – Zijn eigen beslissingen nemen

      – Verantwoordelijkheid dragen

      – Meer dan vroeger zijn tijd buitenshuis doorbrengen.

      Dit losmakingsproces kan gepaard gaan met conflicten tussen ouders en pubers. Ouders hebben er emotioneel gezien moeite mee hun kind los te laten. Daarnaast kunnen zij moeite hebben met de kritische houding van de puber ten opzichte van hen.

      Alle kinderen van verschillende leeftijden kunnen droevig zijn, maar het gevoel van extreme droevigheid die samen kan gaan met depressie en somatische bijverschijnselen kunnen sterk naar boven komen bij adolescenten (Carr, 1999).

      Peers

      We zien bij de puber dat tegelijkertijd met het losser worden van de contacten met de ouders, de contacten met de eigen leeftijdsgenoten meer diepgaand worden. De jongere maken deel uit van een zogeheten peer group: een groep leeftijdsgenoten. De groep leeftijdsgenoten biedt de jongere zekerheid, steun en veiligheid. Voor de jongere is het erg belangrijk dat hij door zijn vrienden wordt geaccepteerd. Daarom conformeert hij zich aan de normen, rages en modes die in de groep gelden. De puber past zich aan, aan wat hoort. Het is belangrijk te weten dat van het conformisme ook een grote druk uitgaat: de puber moet erbij horen, hij moet zich aanpassen.

       Een jongere ontleent dus zijn gevoel van eigenwaarde in belangrijke mate aan het al dan niet bij een groep horen. De leeftijdsgroep heeft echter ook andere functies. De groep is namelijk ook bij uitstek de plaats waar de jongere met gedrag kan experimenteren. In de groep leeftijdsgenoten oriënteert de jongere zich ook op andere normen en waarden. Er wordt gediscussieerd over waar grenzen liggen, wat wel en niet toelaatbaar is, of zou moeten zijn. Vaak ontwikkelen zich daarbij bepaalde groepsnormen.

      • Antisociaal en crimineel gedrag

      In de leeftijdsfase van de puber en de adolescent komt delinquentie veelvuldig voor. Meestal is dit gedrag van voorbijgaande aard.

      • Vriendschappen en verliefdheden

      Naast het deel uitmaken van een groep leeftijdsgenoten, heeft een jongere ook behoefte aan één of meer speciale vrienden of vriendinnen. Bij deze vriendschappen hebben meisjes onderling meer diepgaand contact dan jongens onderling. Meisjes zijn op emotioneel gebied vaak meer op elkaar afgestemd, ook zijn ze meer gericht op wederzijdse steun en aanmoediging. Jongens daarentegen zijn in hun vriendschap vaak meer gericht op het doen van gezamenlijke activiteiten.

      Verliefdheden komen in deze leeftijdsfase veel voor. Vaak zijn deze verliefdheden hevig, maar van korte duur.

      Seksuele ontwikkeling

      De vele lichamelijke veranderingen die tijdens de puberteitsfase optreden brengen ook nieuwe seksuele gevoelens met zich mee. Deze gevoelens kunnen de puber in verwarring brengen. Wat betreft de seksuele ontwikkeling in deze fase wordt wel gesproken van de genitale fase.In deze fase zien we een duidelijk verschil tussen jongens en meisjes. Meisjes zijn eerder geslachtsrijp dan jongens. Meisjes hebben daarnaast meer romantische fantasieën, terwijl jongens meer seksuele fantasieën hebben.

      17 miljoen (73%) van alle jongeren tussen de 12 en 17 jaar maken gebruik van het internet. Het internet wordt gebruikt voor allerlei doeleinden: informatie zoeken, maar vooral ook voor het in contact komen met leeftijdsgenoten. Internet speelt een steeds belangrijkere rol in de ontwikkeling van de eigen identiteit en seksualiteit van jongeren. Het biedt een laagdrempelige en anonieme omgeving om te experimenteren met gedrag. Het geeft de jongere de mogelijkheid om zich te uiten en openlijk te communiceren over hun zorgen. Jongeren maken vooral veel gebruik van online chat-rooms waardoor ze makkelijk in contact komen met leeftijdsgenoten (Subrahmanyam, Greenfield & Tynes, 2004).

      REFERENTIE LIJST:

      Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment. Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.

      Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.

      Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.

      Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.

      Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlby’s hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.

      Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.

      Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101.

      Kohnstamm, R. (1987).  Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 2, p. 159-173

      Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.

      Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.

      Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.

      Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development

      Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.

      Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.

      Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.

      Kleuter Hoogbegaafd

      Kleuter Hoogbegaafd gaat voor het eerst naar school en dat is van groot belang voor de cognitieve, sociale en persoonlijke ontwikkeling. Kleuters zijn zich duidelijk bewust van het feit dat ze zelf een individu zijn, los van anderen. Het egocentrisme maakt plaats voor sociaal gedrag. Er worden vriendjes gemaakt. Kleuters zijn graag op school en is graag taakgericht bezig. In het denken van de kleuter is steeds meer sprake van ordening. De fantasie speelt echter nog een duidelijke rol.

      Kleuter hoogbegaafd is in de ontwikkelingspsychologie irrelevant. Het is simpelweg een van de verschillende ontwikkelingsfasen van de mens in de psychologie. Laat u als ouder niets wijsmaken over vermeende kennis van kleuters bij psychologen. Trap evenmin in de leugens van verkopers (vaak coaches of psychologen) van producten in hun verdienmodel als ontwikkelingsvoorsprong, neurodiversiteit of hoogsensitiviteit.

      Dergelijke kwakzalverij is walgelijk.

      Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal doet niet aan dergelijke kwakzalverij. In bericht peuter hoogbegaafd is dat toegelicht, in dit bericht ligt de focus op de kleuter. De kwakzalvers en psychologen die uit zijn op uw geld worden in dit bericht terzijde geschoven. Die praktijken wekken vooral irritatie en onbehagen.

      Kleuter Hoogbegaafd

      Ontwikkelingsfasen zijn periodes in het leven van de mens die kunnen worden afgebakend: elke periode heeft zijn kenmerkende gedragingen. Als ouder van een hoogbegaafde kleuter, kunt u deze fasen gebruiken om te kijken waarin uw kind het anders doet. Belangrijk is te beseffen dat psychologen alles indelen in hokjes en in statistische eenheden. Uw kind is echter geen gemiddeld kind en geen statistische eenheid. het heeft moeite met de manier waarop het basisonderwijs om gaat met kinderen. Uw kleuter is ineens een probleem volgens de kleuterleerkracht.

      Uw kleuter mag eindelijk naar school en verwacht er van alles van. Eindelijk leren en antwoorden op alle vragen krijgen. Maar de eerste dag moet uw kleuter in een kring zitten. Beentjes mogen niet bewegen en om zich heen kijken wordt bestraft door de kleuterjuf. Uw kleuter ziet alle mooie spullen om zich heen en wil er mee spelen. Maar dat mag niet. De kleuterjuf heeft immers een strak plan, waarin alle aangeboden leerstof in volgorde moet. Uw kleuter leert echter met sprongen en van de hak op de tak. Als uw kleuter na een tijdje aanpassen, het helemaal zat is. Komt de kleuterjuf bij u als ouders klagen over uw kind. U zit met de mond vol tanden, ineens is uw kind een bespreekgeval. Soms komen leerkrachten met de meest bizarre diagnoses. In de kleuterfase en kleuterklassen worden ouders van hoogbegaafde kinderen vaak de meest nare geestesstoornissen aangepraat: Autisme, ADHD, ODD.

      Lees meer over misdiagnoses in Kleuter Hoogbegaafd hebben vaak te maken met misdiagnoses of de wetenschappelijk artikelen op de site van SENG Kleuter Hoogbegaafd, weerleg de opgelegde DSM stempels (BLOG-Categorie: DSM Geestesstoornissen (ODD, ADHD, Autisme) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl zoals: Misdiagnosis and Dual Diagnosis of Gifted Children (By James T. Webb, Edward R. Amend, Nadia E. Webb, Jean Goerss, Paul Beljan, & F. Richard Olenchak

      Kleuter Hoogbegaafd : Ouders Let OP!

      Kleuter Hoogbegaafd is dus vooral een kwestie van opletten voor ouders. Laat u niet in de lure leggen door de vermeende kennis van de kleuter leerkrachten. In veel gevallen beschermen deze de eigen verkeerde wijze van lesgeven. Om ouders een steuntje in de rug te geven, zijn inzicht in de ontwikkelingsfasen van een kleuter het beste uitgangspunt

      Ontwikkelingsfasen zijn een wetenschappelijke psychologische benadering van een kind. Want de kleuter wordt statistisch gemiddeld gemaakt, zoals gebruikelijk in de psychologie. Bedenkt u dus dat een overzicht van ontwikkelingsfasen, nimmer uw kleuter is. Uw kleuter is immers geen gemiddelde statistische kleuter. U kind is een mens en dient ook zo te worden behandeld. U kind is geen afwijking van andere kinderen, laat staan een voorsprong op andere kinderen of verschillend van andere kinderen. Uw kind, hoogbegaafd of niet, heeft de eigen ontwikkeling. Als volwassen opvoeders moet aan de noden van die ontwikkeling worden voldaan. Leerkrachten moeten niets anders dan ieder kind bedienen en geven wat dat individuele kind wil. Klas en normen van OCW zijn irrelevant. OCW eist ook niets.

      Kleuter hoogbegaafd is dus een reguliere kleuter in de ontwikkelingsfasen en die worden omschreven aan de hand van het boek ontwikkeling en opvoeding van
      A. Verhoef (1997). In dit bericht aangevuld met andere literatuur (per citaat benoemd).

      • Ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken)
      • Zuigeling (0 – 18 maanden)
      • Peuter (18 maanden – 4 jaar)
      • Kleuter (4 – 6 jaar)
      • Schoolkind (6 – 12 jaar)
      • Puberteit (12 – 16 jaar)
      • Adolescentie (16 – 21 jaar)

      Kleuter Hoogbegaafd en het gedrag

      Kleuter Hoogbegaafd wordt in dit artikel beschreven als kleuter gedrag in de leeftijd van 18 maanden – 4 jaar. Want dat kunnen we in termen van “normaal” en “niet normaal” verdelen. “Normaal” gedrag is een beladen term, maar is over het algemeen te typeren is als gedrag dat:

      • gelijk is aan het gemiddelde kind op een bepaald ontwikkelingsmoment,
      • verheven is tot ideaal streefniveau,
      • in overeenstemming is met sociaal en cultureel bepaalde normen in die levensfase en bij die taken,
      • niet als lastig, pijnlijk of onverdraaglijk wordt ervaren en daarom wordt nagelaten of (nog) niet vertoond,
      • in overeenstemming is met het ontwikkelingsniveau en de ontwikkelingstaken.

      Kleuters noemen we in de regel ook het jonge kind. De factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van een kind:

      • betreffen het ontwikkelingsniveau van een kind.
      • hebben betrekking op de omgeving van het kind.

      De behoeften van het jonge kind omvatten vier routines:

      • Veiligheid: Het niet voldoende bieden van veiligheid kan leiden tot ongelukken en kindermisbruik.
      • Verzorging: Het onvoldoende bieden van voeding, onderdak, hechting, begrip en emotionele steun kan leiden tot emotionele problemen.
      • Normen en waarden: Het niet duidelijk stellen van grenzen en regels, kan leiden tot gedragsproblemen.
      • Cognitieve stimulans: Het niet geven van leeftijd gerelateerde intellectuele stimulans kan leiden tot een achterstand op emotioneel, taalvaardig en intellectueel gebied
      Lichamelijke ontwikkeling

      Kleuter Hoogbegaafd diens grove motoriek gaat vooruit en de fijne motoriek verbetert. Dat dit niet altijd conform de gemiddelde ontwikkeling gaat, is inherent aan hoogbegaafdheid. Dat uw kleuter in een langzamer tempo leert diens lichaam beter te beheersen, dat is helemaal geen probleem. Alle kleuterleerkracht oefeningen in de kleutergymzaal ten spijt. Hoogbegaafden lopen soms wat meer te ‘waggelen’ en kunnen soms niet zo behendig zijn op evenwichtsbalken.

      Het evenwichtsgevoel is desondanks wel in ontwikkeling. In deze leeftijdsfase staat snelle motorische ontwikkeling centraal. Met name de kleuterleerkracht denkt dat dit belangrijk is. Die wetenschap komt uit de standaard ontwikkelingspsychologie. Kinderen hebben moeite om de eigen groei bij te benen. Hoogbegaafde kinderen laten soms het lopen maar achterwege als peuter, want kruipen gaat immers ook prima. Ze proberen vaak dingen die nog te moeilijk zijn. Bij kleuters gaat het nu meer om bewegen met een doel in plaats van bewegen om het bewegen (Van Keulen et al., 1995).

      Cognitieve ontwikkeling

      Bij hoogbegaafde kinderen ligt de cognitieve ontwikkeling op de voorgrond. Dat is de spier die ze willen ontwikkelen op eigen niveau en in eigen pace (tempo van leren). Hoogbegaafde kleuters laten in gedrag al zien dat ze in sprongen denken en van de hak op de tak. Iets dat haaks staat op de kleuterklas en de mentaliteit van basisscholen. Indien uw kind op Montessori onderwijs zit, zal dat probleem minder zijn. Echter ook daar kan door de matige kwaliteit van leerkrachten een deficit ontstaan.

      Basisscholen zijn formeel een eenheid van Kleuterschool (KLOS) en Lagere School (Kweekschool) sedert 1985. Helaas gaan bijna alle basisscholen nog uit van een jaarklassen systeem en kleuterklassen versus hogere groepen. In die gedachte bestaat nog steeds de walgelijke term: “Schoolrijpheid”. Voordat het kind (van zes jaar) in staat is om in klassikaal verband onderwijs te ontvangen moet het schoolrijp zijn. Voorwaarden voor schoolrijpheid zijn:

      1. Zich redelijk kunnen concentreren, met andere kinderen kunnen samenwerken en zich aanpassen aan anderen.
        • De hele dag zonder de ouders kunnen doorbrengen.
        • Psychische functies als waarnemen, denken en het geheugen moeten voldoende zijn ontwikkeld.
        • De kleuter krijgt notie van verleden, heden en toekomst en begint vragen te stellen over zijn eigen verleden.
        • De kleuter kent zijn leeftijd en leert klokkijken.
        • In het begin leert het kind onderscheid maken tussen grotere en kleinere hoeveelheden, later leert de kleuter tellen.
        • Het observatiebegrip is nog niet aanwezig (Piaget). Wanneer de kleuter bijv. een liter water in een lange, smalle buis ziet, is dit volgens hem meer dan een liter water in een korte, brede kom.
        • Jonge kleuter heeft besef van richting en afstand van een object t.o.v. zijn eigen lichaam.
        • Oudere kleuter leeft ook voorwerpen t.o.v. elkaar te lokaliseren (bv. op, boven, rondom).
        • Jonge kleuter begint “Waarom?” te vragen om het vragen op zich.
        • Oudere kleuter ontdekt dat gebeurtenissen een oorzaak hebben.
        • Actieve woordenschat wordt vergroot van 500 naar 2000 woorden. De passieve, het aantal woorden dat de kleuter begrijpt, woordenschat is groter.
        • De gemiddelde zinslengte van een vierjarige is 6-8 woorden. Dit is een zeer snelle toename vergeleken met het einde van de peuterperiode.
        • In het begin van de kleuterperiode is er een zeer snelle verbetering van de articulatie.

      (Tychon, 2004).

      Fantasie

      Een belangrijk aspect van de cognitieve ontwikkeling is de fantasie van de kleuter. Ook in het denken van de kleuter is alles mogelijk. De oorzaak hiervan moeten we zoeken in het feit dat een klein kind nog niet weet hoe de werkelijkheid in elkaar steekt, hoe de dingen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen. Voor een kind zijn de eigen bedenksels even waar als de waarheid.

      • In deze periode komt het magisch denken veel voor (bijv. het regent omdat de kleuter stout is geweest). Er ontstaat interesse voor sprookjes.
        • De kleuter beleeft zijn omgeving dikwijls animistisch, d.w.z. dat aan objecten een bezieldheid wordt toegeschreven (stoffer en blik praten met elkaar).

      (Tychon, 2004).

      • Jokken

      Jokken is een verschijnsel wat met dit fantaseren samenhangt. We spreken van jokken als een kind onopzettelijk onwaarheden spreekt.

      Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling

      In het tweede en derde levensjaar staat het kind voor de taak zich te ontwikkelen tot een autonoom persoon, tot een individu dat los van ouders kan handelen. Het kind streeft hierbij  naar een psychologische scheiding van zijn ouders, de behoefte aan lichamelijke nabijheid is echter nog steeds sterk. Kleuters zijn vooral geïnteresseerd in de gezinsleden en wat er thuis gebeurt. Ze hechten zich daarnaast in toenemende mate aan personen buiten het gezin (juf, klasgenootjes).

      Als ze die tenminste als `veilig’ ervaren, er vertrouwen in hebben. In de vorige fasen hebben kinderen ontdekt dát ze een persoonlijkheid hebben, in deze fase ontdekken ze wát voor een persoonlijkheid ze hebben. Ze gaan zich zekerder voelen en meer ontplooien. Ze leren zich verplaatsen in anderen. Er ontstaat een persoonlijk geweten: datgene wat wordt beloond wordt gezien als goed en datgene wat wordt bestraft is fout.

      Vrienden

      Bij de meeste kinderen ontstaan in de kleuterfase de eerste vriendschapsrelaties. Pas nu is het kind in staat zich sociaal te gedragen: het kind is in staat met anderen mee te leven, anderen te helpen en met anderen te delen. Ouders helpen hierbij door te etiketteren “Dat jongetje is verdrietig” (Carr, 1999).

      De kleuter doet grote moeite om bij een groep te horen. Om dat te bereiken imiteert hij het gedrag van anderen kleuters. Onder imiteren verstaat we het nadoen van anderen. Het erbij willen horen vormt de basis voor het sociale gedrag van het kind.

      Niet alleen imitatie van anderen is belangrijk, maar ook identificatie. Onder identificatie verstaan we het willen zijn zoals de ander is. De kleuter identificeert zich vooral met de ouder van hetzelfde geslacht.

      • Zelfbeeld

      In de kleuterfase ontwikkelt zich bij het kind een zelfbeeld. Het kind krijgt een subjectief beeld van zichzelf: zo ben ik, dat kan ik en dat kan ik niet. Een kind leert wie hij is door wat anderen tegen hem zeggen, door hoe anderen zich ten opzichte van hem gedragen. Het zelfbeeld van het kind bestaat uit twee componenten, zelfvertrouwen en vertrouwen in de ander. Zelfvertrouwen omvat de verwachtingen met betrekking tot de eigen effectiviteit. Vertrouwen in de ander omvat de verwachtingen met betrekking tot de beschikbaarheid van anderen voor steun. Het beeld dat een kind van zichzelf ontwikkeld zal de persoonlijkheid van het kind kleuren.

      • Normbesef

      Een geheel ander aspect is de ontwikkeling van normbesef oftewel de ontwikkeling van het geweten. Het kind ontwikkelt zich tijdens de kleuterfase het schaamte en schuldbewustzijn. De gewetensvorming is echter nog heel pril. Er is sprake van een zekere starheid: een regel geldt altijd en overal, iets wat niet mag, mag nooit. Ook kijkt een kind sterk naar de uitkomst van een handeling. Een kleuter heeft geen oog voor de oorzaak van iemands gedrag.

      Emotionele ontwikkeling

      In de kleuterperiode krijgt het kind meer oog voor de wereld om hem heen. Hierbij leert het kind zijn eigen gevoelens kennen en benoemen. Op concreet niveau is de kleuter in staat met een ander mee te leven. Kleuters leren welke emoties geaccepteerd worden in bepaalde situaties en kunnen ongeaccepteerde emoties onderdrukken (Carr, 1999). Zowel angst en fantasie spelen bij de emotionele ontwikkeling van de kleuter een belangrijke rol.

      Morele ontwikkeling

      Tot op ongeveer 5 a 6 jarige leeftijd zijn kinderen alleen nog maar in staat hun gedrag te evalueren door te kijken naar de schade die hun handelingen aanbrengen. Kinderen op deze leeftijd denken ook dat immorele handelingen goed gekeurd worden wanneer hierop geen straffen volgen. Pas vanaf een jaar of 7 zijn kinderen in staat de slechtheid van hun handelen in een breder perspectief te zetten en kijken dan niet meer alleen naar de schade die ze aanbrengen, maar ook naar de intenties van de handelende persoon.

      Om moreel handelen te internaliseren is het belangrijk dat kinderen veilig gehecht zijn aan hun ouders, de regels kennen van moreel handelen, en consequente gereageerd wordt wanneer de kinderen de fout in gaan, er aan de kinderen uitgelegd wordt waarom iets fout of goed is, kinderen verantwoordelijk gehouden voor hun eigen gedrag (rekening houdend met de leeftijd van het kind), het getolereerd wordt dat het kind zich kan uiten (Carr, 1999).

      In de morele ontwikkeling hebben religie en cultuur een belangrijke rol. Deze zijn zeer bepalend voor de morele opvattingen van een persoon en worden vaak door ouders (bewust of onbewust) overgedragen aan hun kinderen. Door middel van cultuur en religie wordt een bepaalde manier van leven en overtuigingen nagestreefd.

      Sex-rol ontwikkeling

      Kinderen van 0 tot 5 jaar leren over het concept van geslacht. Eerst maken zij een onderscheidt tussen de geslachten en categoriseren zichzelf als jongen of meisje. Dan realiseren ze zich dat geslacht een constant iets is en niet van de een op de andere dag kan veranderen. Uiteindelijk realiseren ze zich dat er cruciale verschillen zijn tussen jongens en meisjes (geslachtsdelen) en minder cruciale verschillen, zoals kleding die geen effect hebben op het geslacht van een persoon. Zo ontwikkelen ze cognitieve structuren, zo gehete geslachtsschema’s die gebruikt worden om informatie te categoriseren over mannen en vrouwen. Wanneer kinderen ongeveer 5 jaar zijn vertonen ze vooral seksgerelateerd spelgedrag. Jongens spelen buiten en doen meer aan vecht spelletjes, meisjes spelen meer binnen en dan bijvoorbeeld moedertje (Carr, 1999).

      REFERENTIE LIJST:

      Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment. Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.

      Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.

      Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.

      Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.

      Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlby’s hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.

      Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.

      Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101.

      Kohnstamm, R. (1987).  Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 2, p. 159-173

      Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.

      Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.

      Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.

      Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development

      Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.

      Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.

      Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.

      Peuter Hoogbegaafd

      Peuter HoogbegaafdAls ouder denk ik dat mijn kind meer uitdaging nodig heeft.” Dit is meestal de eerste opmerking van ouders, die merken dat hun kind meer wil. Ouders zien vaak in het gedrag dat hun eigen kind nieuwsgierig is en vroeg leert praten. Het lopen laat vaak op zich wachten, terwijl hun kind al bezig is met kwadrateren of worteltrekken. Deze ouders hebben dan al ruim een jaar een kind, waar de ouders zeer veel tijd en liefde in hebben gestoken.

      Peuterspeelzalen is een plek waar hoogbegaafde peuters zich vervelen. De peuters komen vol tranen thuis en voelen zich niet begrepen. Zo veel leuke dingen, maar ze mogen er van de leidsters niet mee spelen. Ouders raken vaak in wanhoop en bepaalde verdienmodellen beginnen over ontwikkelingsvoorsprong of neurodiversiteit.

      Peuter Hoogbegaafd is geen ontwikkelingsvoorsprong of neurodiversiteit.

      Peuter Hoogbegaafd speelt als construct geen enkele rol in de ontwikkelingspsychologie. Dat is op zich geen probleem, doordat hoogbegaafdheid op zich geen psychologisch aspect is. Helaas willen psychologen het domein hoogbegaafdheid wel annexeren.

      Als verdienmodel voor psychologen wordt hoogbegaafdheid vervangen door diverse wetenschappelijke mythes.

      De meest opvallende frames zijn (frame is een samenstelling van twee woorden om de term aan de man te brengen):

      • Ontwikkeling Voorsprong
      • Neuro Diversiteit
      • Hoog sensitiviteit

      Alhoewel niet ieder frame sterk gekozen is, valt op dat er altijd een quasi psychologisch zelfstandig naamwoord in de term aanwezig is. Ontwikkeling, Neuro en Hoog impliceren een zogenaamde psychologische feitelijkheid. Het tweede woord in de term is vaak bedoeld als aai over de bol van het kind of een pluim aan de ouders. Welke ouder wil immers niet een kind hebben met een voorsprong. Iedere ouder wil divers zijn en open staan voor alle verschillen. Waarbij een gevoelig kind in het huidige tijdsbeeld, een ideaal kind is. In ieder geval moeten de termen de ouder(s) lokken en hebben niets met hun kind te maken!!!

      Kinderen kunnen per definitie geen voorsprong hebben op de eigen ontwikkeling. Iedere ontwikkeling is immers aan het kind zelf gebonden. Ontwikkeling meet je niet af aan andere kinderen of een basis kind beeld. Daardoor kan een voorsprong op de ontwikkeling simpelweg niet. Dat het een mooi verzonnen is door een academicus die er wel brood in zag. Dat doet niets af aan de mythe dat er kinderen zouden zijn met een ontwikkelingsvoorsprong.

      De andere mythe is neurodiversiteit. Een duur woord voor: “We zijn allemaal verschillend.” Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal, doet niet aan dat soort open deur verdienmodellen. De haren beginnen rechtop te staan, als er verkopers termen als ontwikkelingsvoorsprong of neurodiversiteit in een duur hotel in de Lutte aan de man willen brengen. Dat het een duur verdienmodel is, om rijk te worden aan hoogbegaafden. Dat staat buiten kijf en is niet te betwijfelen.

      Hoog sensitief is de meest bizarre term. De uitvinder van de term heeft simpelweg alle factoren van hoogbegaafden naast elkaar gelegd. Door enkel de factoren rond emotie en gevoelens te clusteren, is het construct hoog sensitiviteit geboren. Wat de aanhangers niet vertellen, is dat hoog IQ onderdeel van dat woord hoog uit moet maken. Bij Peuters, Kleuters, Onderpresteerders is echter geen IQ getal te meten met betrouwbare testen als WISC of WAIS Wat maakt dat de meeste bedrijven in de psychologie de slachtoffers wijs maken dat ze overgevoelig zouden zijn. Dat daarvoor een behandeling mogelijk is. Laat uw kind niet stempelen!

      Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal wil verder niet te lang stil staan bij riante verdienmodellen en wetenschappelijke mythes. Ouders zullen vooral willen genieten van het hebben van hun peuter. Uiteindelijk komt deze fase maar 1 keer voor in het leven van een mens. Als in deze fase complicaties optreden, die zijn gerelateerd aan ontwikkeling, zijn de ontwikkelingsfasen van belang. Belangrijk is om als ouder te herkennen wat in de psychologie als gemiddelde ontwikkeling wordt gezien.

      Peuter en de Ontwikkelingsfasen

      Peuter Hoogbegaafd is eigenlijk niets anders dan als ouder vaststellen dat uw peuter meer uitdaging wil. Dat u dit als ouder herkent, komt doordat in onderwijs en psychologie niet wordt uitgegaan van het individueel kind. Psychologen gaan uit van de verschillende ontwikkelingsfasen van de mens. Daarbij wordt een gemiddeld mens genomen. Dit zijn periodes in het leven van de mens die kunnen worden afgebakend: elke periode heeft zijn kenmerkende gedragingen. De fasen worden omschreven aan de hand van het boek ontwikkeling en opvoeding van A. Verhoef (1997) en zullen aangevuld worden met andere literatuur (per citaat benoemd). Die fasen zijn dus niet UW peuter, maar slechts een wetenschappelijke benadering van een statistisch fictieve gemiddelde peuter.

      Ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken)
      Zuigeling (0 – 18 maanden)
      Peuter (18 maanden – 4 jaar)

      Kleuter (4 – 6 jaar)
      Schoolkind (6 – 12 jaar)
      Puberteit (12 – 16 jaar)
      Adolescentie (16 – 21 jaar)

      Peuter en het gedrag

      Peuter Hoogbegaafd moeten we relateren aan gedrag in de leeftijd van 18 maanden – 4 jaar. Dat kunnen we verdelen in termen van “normaal” en “niet normaal”. “Normaal” gedrag is een beladen term, maar is over het algemeen te typeren is als gedrag dat:

      • gelijk is aan het gemiddelde kind op een bepaald ontwikkelingsmoment,
      • verheven is tot ideaal streefniveau,
      • in overeenstemming is met sociaal en cultureel bepaalde normen in die levensfase en bij die taken,
      • niet als lastig, pijnlijk of onverdraaglijk wordt ervaren en daarom wordt nagelaten of (nog) niet vertoond,
      • in overeenstemming is met het ontwikkelingsniveau en de ontwikkelingstaken.
      Peuter noemen we in de regel ook het jonge kind.

      De factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van een kind:

      • betreffen het ontwikkelingsniveau van een kind.
      • hebben betrekking op de omgeving van het kind.

      De behoeften van het jonge kind omvatten vier routines:

      • Veiligheid: Het niet voldoende bieden van veiligheid kan leiden tot ongelukken en kindermisbruik.
      • Verzorging: Het onvoldoende bieden van voeding, onderdak, hechting, begrip en emotionele steun kan leiden tot emotionele problemen.
      • Normen en waarden: Het niet duidelijk stellen van grenzen en regels, kan leiden tot gedragsproblemen.
      • Cognitieve stimulans: Het niet geven van leeftijd gerelateerde intellectuele stimulans kan leiden tot een achterstand op emotioneel, taalvaardig en intellectueel gebied.
      Peuter is heftig in ontwikkeling.

      Peuter Hoogbegaafd is dus gewoon de peuter. Het kind is in staat om los te lopen, waarmee een geheel nieuwe en snelle manier bestaat om de wereld te ontdekken. Tegelijkertijd wordt de woordenschat enorm uitgebreid. Immers, alle dingen die het kind tegenkomt in de wereld hebben een naam! Er is dus vooral een enorme cognitieve vooruitgang bij de peuter. Ook de persoonlijkheidsontwikkeling staat niet stil.

      De peuter ontdekt dat het zelf iemand is. Hij/zij ontdekt de eigen ik en is hier een tijdlang erg vol van. Dit leidt tot het egocentrisme en tot de zogeheten koppigheidsfase. Peuters doorlopen dus een enorme Cognitieve Ontwikkeling. De peuter wil de wereld leren kennen. Dit ontdekken van de wereld is een noodzaak om uit te kunnen groeien tot een zelfstandig individu.

      Denken sluit nauw aan bij dit ‘exploreren van de wereld’ en wordt voornamelijk bepaald door datgene wat de peuter meemaakt. Het denken van de peuter heeft de volgende kenmerken:

      • Concreet: Richt zich alleen op datgene wat tastbaar is, wat gezien wordt en waar iets meegedaan kan worden.
      • Magisch (magie = toverkunst): Een peuter kan geen onderscheidt maken tussen werkelijkheid en fantasie, daardoor gaat zichzelf verklaringen bedenken voor datgene wat hij/zij niet begrijpt. In het denken van de peuter is alles mogelijk.
      • Animistisch: Een peuter geeft aan levenloze dingen menselijke eigenschappen.

      Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling

      De peuter gaat langzaam meer sociale contacten leggen. Is echter nog niet in staat zich in te leven in de ander! Sociaal gedrag kan dan ook niet van een peuter verwacht worden. Want een peuter bekijkt de wereld alleen vanuit zijn eigen gezichtspunt en dat is het egocentrisch standpunt. Ontdekken van de eigen persoonlijkheid met een eigen wil. Willen oefenen van deze gewaarwordingen en deze in allerlei situaties testen. Want ze worden geconfronteerd met autonomie en afhankelijkheid.

      Egocentrisme

      Het egocentrisme van de peuter is het gevolg van de ontdekking van het ik. Kinderen ontdekken dat ze een eigen persoonlijkheid hebben met een eigen wil. Bij alles wat de peuter doet, wordt het hem duidelijk dat hij het is die iets doet. Want ze willen onafhankelijk van hun ouders worden. In zijn denken en voelen is geen ruimte voor anderen. Omdat op verstandelijk niveau ze het nog niet bevatten dat er anderen zijn die eigen gevoelens, eigen gedachten en eigen behoeften hebben. Het is belangrijk dat ouders grenzen stellen en tegelijk ruimte voor zelfstandigheid aan peuters bieden.

      Koppigheid

      Het feit dat de peuter steeds meer zijn eigen macht ontdekt, brengt ook de ontdekking van de eigen wil met zich mee. Want ze ontdekken dat ze anders kunnen willen handelen dan anderen. De peuter verzet zich tegen datgene wat de opvoeder wil. Als ze hun zin niet krijgen, kunnen ze heftig reageren door huilen, schreeuwen en agressief gedrag. Deze periode bevindt zich aan het einde van de peutertijd.

      De koppigheid komt overigens niet alleen tot de uiting in het verzet van de peuter, maar ook in het feit dat hij alles zélf wil doen.

      De koppigheidsfase is voor de wilsontwikkeling van het kind van groot belang. Immers, een peuter experimenteert en oefent met de eigen wil.

      Peuter Hoogbegaafd "Als ouder denk ik dat mijn kind meer uitdaging nodig heeft." Ontwikkelingsvoorsprong of neurodiversiteit is echter onzin.

      Zelf kennis

      Zelfkennis hangt samen met veilige hechting. Kinderen die over zelfherkenning beschikken zijn eerder in staat andere kinderen te helpen. De peuter is in veel situaties een kind dat sterk emotioneel reageert. Meestal is de oorzaak dat de peuter nog niet goed onder woorden kan brengen wat hij voelt of wilt. Bij de peuters komt het daarnaast ook wel voor dat ze goede bedoelingen hebben met hun gedrag, maar dat ze wat onstuimig te werk gaan. Op deze leeftijd zijn peuters ook geneigd emoties na te doen van anderen.

      PEUTERS WETEN DAT ZIJ EMOTIES KUNNEN VERANDEREN,
      DOOR DE SITUATIE TE VERANDEREN.

      De Lichamelijke Ontwikkeling

      De peuterfase doet zijn intrede op het moment dat de peuter zijn eerste stapjes zet. Het leren lopen brengt een enorme bewegingsvrijheid met zich mee, waar het kind dan ook al snel gebruik van maakt. Dit wordt getypeerd als exploratiedrang, drang om de wereld te gaan verkennen. Kinderen in deze leeftijd hebben een grotere lichamelijke zelfstandigheid.

      De drang tot onderzoeken en uitproberen wordt steeds groter. Ze spelen als het ware met hun eigen kunnen; evenwicht bewaren, tree voor tree de trap op, ergens opklimmen en iets pakken, deuren openen, sturen en snel bijsturen van het lichaam (Van Keulen et al., 1995; Carr, 1999).

      We zien bij de peuter vooral een ontwikkeling van de grove motoriek. Ze kunnen nu tegelijkertijd dingen doen, bijvoorbeeld bukken en een speeltje pakken (Van Keulen et al., 1995).

      Een ander belangrijk aspect dat te maken heeft met de lichamelijke ontwikkeling van de peuter is het zindelijk worden. Het kind moet het zindelijk worden kunnen, het moet het begrijpen en het moet het willen, voordat er begonnen kan worden met zindelijkheidstraining.

      REFERENTIE LIJST:

      Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment. Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.

      Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.

      Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.

      Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.

      Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlby’s hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.

      Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.

      Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101.

      Kohnstamm, R. (1987).  Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 2, p. 159-173

      Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.

      Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.

      Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.

      Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development

      Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.

      Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.

      Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.