Kleuter Hoogbegaafd gaat voor het eerst naar school en dat is van groot belang voor de cognitieve, sociale en persoonlijke ontwikkeling. Kleuters zijn zich duidelijk bewust van het feit dat ze zelf een individu zijn, los van anderen. Het egocentrisme maakt plaats voor sociaal gedrag. Er worden vriendjes gemaakt. Kleuters zijn graag op school en is graag taakgericht bezig. In het denken van de kleuter is steeds meer sprake van ordening. De fantasie speelt echter nog een duidelijke rol.
Kleuter hoogbegaafd is in de ontwikkelingspsychologie irrelevant. Het is simpelweg een van de verschillende ontwikkelingsfasen van de mens in de psychologie. Laat u als ouder niets wijsmaken over vermeende kennis van kleuters bij psychologen. Trap evenmin in de leugens van verkopers (vaak coaches of psychologen) van producten in hun verdienmodel als ontwikkelingsvoorsprong, neurodiversiteit of hoogsensitiviteit.
Dergelijke kwakzalverij is walgelijk.
Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal doet niet aan dergelijke kwakzalverij. In bericht peuter hoogbegaafd is dat toegelicht, in dit bericht ligt de focus op de kleuter. De kwakzalvers en psychologen die uit zijn op uw geld worden in dit bericht terzijde geschoven. Die praktijken wekken vooral irritatie en onbehagen.
Kleuter Hoogbegaafd
Ontwikkelingsfasen zijn periodes in het leven van de mens die kunnen worden afgebakend: elke periode heeft zijn kenmerkende gedragingen. Als ouder van een hoogbegaafde kleuter, kunt u deze fasen gebruiken om te kijken waarin uw kind het anders doet. Belangrijk is te beseffen dat psychologen alles indelen in hokjes en in statistische eenheden. Uw kind is echter geen gemiddeld kind en geen statistische eenheid. het heeft moeite met de manier waarop het basisonderwijs om gaat met kinderen. Uw kleuter is ineens een probleem volgens de kleuterleerkracht.
Uw kleuter mag eindelijk naar school en verwacht er van alles van. Eindelijk leren en antwoorden op alle vragen krijgen. Maar de eerste dag moet uw kleuter in een kring zitten. Beentjes mogen niet bewegen en om zich heen kijken wordt bestraft door de kleuterjuf. Uw kleuter ziet alle mooie spullen om zich heen en wil er mee spelen. Maar dat mag niet. De kleuterjuf heeft immers een strak plan, waarin alle aangeboden leerstof in volgorde moet. Uw kleuter leert echter met sprongen en van de hak op de tak. Als uw kleuter na een tijdje aanpassen, het helemaal zat is. Komt de kleuterjuf bij u als ouders klagen over uw kind. U zit met de mond vol tanden, ineens is uw kind een bespreekgeval. Soms komen leerkrachten met de meest bizarre diagnoses. In de kleuterfase en kleuterklassen worden ouders van hoogbegaafde kinderen vaak de meest nare geestesstoornissen aangepraat: Autisme, ADHD, ODD.
Lees meer over misdiagnoses in of de wetenschappelijk artikelen op de site van SENG
zoals: Misdiagnosis and Dual Diagnosis of Gifted Children (By James T. Webb, Edward R. Amend, Nadia E. Webb, Jean Goerss, Paul Beljan, & F. Richard Olenchak
Kleuter Hoogbegaafd : Ouders Let OP!
Kleuter Hoogbegaafd is dus vooral een kwestie van opletten voor ouders. Laat u niet in de lure leggen door de vermeende kennis van de kleuter leerkrachten. In veel gevallen beschermen deze de eigen verkeerde wijze van lesgeven. Om ouders een steuntje in de rug te geven, zijn inzicht in de ontwikkelingsfasen van een kleuter het beste uitgangspunt
Ontwikkelingsfasen zijn een wetenschappelijke psychologische benadering van een kind. Want de kleuter wordt statistisch gemiddeld gemaakt, zoals gebruikelijk in de psychologie. Bedenkt u dus dat een overzicht van ontwikkelingsfasen, nimmer uw kleuter is. Uw kleuter is immers geen gemiddelde statistische kleuter. U kind is een mens en dient ook zo te worden behandeld. U kind is geen afwijking van andere kinderen, laat staan een voorsprong op andere kinderen of verschillend van andere kinderen. Uw kind, hoogbegaafd of niet, heeft de eigen ontwikkeling. Als volwassen opvoeders moet aan de noden van die ontwikkeling worden voldaan. Leerkrachten moeten niets anders dan ieder kind bedienen en geven wat dat individuele kind wil. Klas en normen van OCW zijn irrelevant. OCW eist ook niets.
Kleuter hoogbegaafd is dus een reguliere kleuter in de ontwikkelingsfasen en die worden omschreven aan de hand van het boek ontwikkeling en opvoeding van
A. Verhoef (1997). In dit bericht aangevuld met andere literatuur (per citaat benoemd).
- Ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken)
- Zuigeling (0 – 18 maanden)
- Peuter (18 maanden – 4 jaar)
- Kleuter (4 – 6 jaar)
- Schoolkind (6 – 12 jaar)
- Puberteit (12 – 16 jaar)
- Adolescentie (16 – 21 jaar)
Kleuter Hoogbegaafd en het gedrag
Kleuter Hoogbegaafd wordt in dit artikel beschreven als kleuter gedrag in de leeftijd van 18 maanden – 4 jaar. Want dat kunnen we in termen van “normaal” en “niet normaal” verdelen. “Normaal” gedrag is een beladen term, maar is over het algemeen te typeren is als gedrag dat:
- gelijk is aan het gemiddelde kind op een bepaald ontwikkelingsmoment,
- verheven is tot ideaal streefniveau,
- in overeenstemming is met sociaal en cultureel bepaalde normen in die levensfase en bij die taken,
- niet als lastig, pijnlijk of onverdraaglijk wordt ervaren en daarom wordt nagelaten of (nog) niet vertoond,
- in overeenstemming is met het ontwikkelingsniveau en de ontwikkelingstaken.
Kleuters noemen we in de regel ook het jonge kind. De factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van een kind:
- betreffen het ontwikkelingsniveau van een kind.
- hebben betrekking op de omgeving van het kind.
De behoeften van het jonge kind omvatten vier routines:
- Veiligheid: Het niet voldoende bieden van veiligheid kan leiden tot ongelukken en kindermisbruik.
- Verzorging: Het onvoldoende bieden van voeding, onderdak, hechting, begrip en emotionele steun kan leiden tot emotionele problemen.
- Normen en waarden: Het niet duidelijk stellen van grenzen en regels, kan leiden tot gedragsproblemen.
- Cognitieve stimulans: Het niet geven van leeftijd gerelateerde intellectuele stimulans kan leiden tot een achterstand op emotioneel, taalvaardig en intellectueel gebied
Lichamelijke ontwikkeling
Kleuter Hoogbegaafd diens grove motoriek gaat vooruit en de fijne motoriek verbetert. Dat dit niet altijd conform de gemiddelde ontwikkeling gaat, is inherent aan hoogbegaafdheid. Dat uw kleuter in een langzamer tempo leert diens lichaam beter te beheersen, dat is helemaal geen probleem. Alle kleuterleerkracht oefeningen in de kleutergymzaal ten spijt. Hoogbegaafden lopen soms wat meer te ‘waggelen’ en kunnen soms niet zo behendig zijn op evenwichtsbalken.
Het evenwichtsgevoel is desondanks wel in ontwikkeling. In deze leeftijdsfase staat snelle motorische ontwikkeling centraal. Met name de kleuterleerkracht denkt dat dit belangrijk is. Die wetenschap komt uit de standaard ontwikkelingspsychologie. Kinderen hebben moeite om de eigen groei bij te benen. Hoogbegaafde kinderen laten soms het lopen maar achterwege als peuter, want kruipen gaat immers ook prima. Ze proberen vaak dingen die nog te moeilijk zijn. Bij kleuters gaat het nu meer om bewegen met een doel in plaats van bewegen om het bewegen (Van Keulen et al., 1995).
Cognitieve ontwikkeling
Bij hoogbegaafde kinderen ligt de cognitieve ontwikkeling op de voorgrond. Dat is de spier die ze willen ontwikkelen op eigen niveau en in eigen pace (tempo van leren). Hoogbegaafde kleuters laten in gedrag al zien dat ze in sprongen denken en van de hak op de tak. Iets dat haaks staat op de kleuterklas en de mentaliteit van basisscholen. Indien uw kind op Montessori onderwijs zit, zal dat probleem minder zijn. Echter ook daar kan door de matige kwaliteit van leerkrachten een deficit ontstaan.
Basisscholen zijn formeel een eenheid van Kleuterschool (KLOS) en Lagere School (Kweekschool) sedert 1985. Helaas gaan bijna alle basisscholen nog uit van een jaarklassen systeem en kleuterklassen versus hogere groepen. In die gedachte bestaat nog steeds de walgelijke term: “Schoolrijpheid”. Voordat het kind (van zes jaar) in staat is om in klassikaal verband onderwijs te ontvangen moet het schoolrijp zijn. Voorwaarden voor schoolrijpheid zijn:
- Zich redelijk kunnen concentreren, met andere kinderen kunnen samenwerken en zich aanpassen aan anderen.
- De hele dag zonder de ouders kunnen doorbrengen.
- Psychische functies als waarnemen, denken en het geheugen moeten voldoende zijn ontwikkeld.
- De kleuter krijgt notie van verleden, heden en toekomst en begint vragen te stellen over zijn eigen verleden.
- De kleuter kent zijn leeftijd en leert klokkijken.
- In het begin leert het kind onderscheid maken tussen grotere en kleinere hoeveelheden, later leert de kleuter tellen.
- Het observatiebegrip is nog niet aanwezig (Piaget). Wanneer de kleuter bijv. een liter water in een lange, smalle buis ziet, is dit volgens hem meer dan een liter water in een korte, brede kom.
- Jonge kleuter heeft besef van richting en afstand van een object t.o.v. zijn eigen lichaam.
- Oudere kleuter leeft ook voorwerpen t.o.v. elkaar te lokaliseren (bv. op, boven, rondom).
- Jonge kleuter begint “Waarom?” te vragen om het vragen op zich.
- Oudere kleuter ontdekt dat gebeurtenissen een oorzaak hebben.
- Actieve woordenschat wordt vergroot van 500 naar 2000 woorden. De passieve, het aantal woorden dat de kleuter begrijpt, woordenschat is groter.
- De gemiddelde zinslengte van een vierjarige is 6-8 woorden. Dit is een zeer snelle toename vergeleken met het einde van de peuterperiode.
- In het begin van de kleuterperiode is er een zeer snelle verbetering van de articulatie.
(Tychon, 2004).
Fantasie
Een belangrijk aspect van de cognitieve ontwikkeling is de fantasie van de kleuter. Ook in het denken van de kleuter is alles mogelijk. De oorzaak hiervan moeten we zoeken in het feit dat een klein kind nog niet weet hoe de werkelijkheid in elkaar steekt, hoe de dingen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen. Voor een kind zijn de eigen bedenksels even waar als de waarheid.
- In deze periode komt het magisch denken veel voor (bijv. het regent omdat de kleuter stout is geweest). Er ontstaat interesse voor sprookjes.
- De kleuter beleeft zijn omgeving dikwijls animistisch, d.w.z. dat aan objecten een bezieldheid wordt toegeschreven (stoffer en blik praten met elkaar).
(Tychon, 2004).
- Jokken
Jokken is een verschijnsel wat met dit fantaseren samenhangt. We spreken van jokken als een kind onopzettelijk onwaarheden spreekt.
Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
In het tweede en derde levensjaar staat het kind voor de taak zich te ontwikkelen tot een autonoom persoon, tot een individu dat los van ouders kan handelen. Het kind streeft hierbij naar een psychologische scheiding van zijn ouders, de behoefte aan lichamelijke nabijheid is echter nog steeds sterk. Kleuters zijn vooral geïnteresseerd in de gezinsleden en wat er thuis gebeurt. Ze hechten zich daarnaast in toenemende mate aan personen buiten het gezin (juf, klasgenootjes).
Als ze die tenminste als `veilig’ ervaren, er vertrouwen in hebben. In de vorige fasen hebben kinderen ontdekt dát ze een persoonlijkheid hebben, in deze fase ontdekken ze wát voor een persoonlijkheid ze hebben. Ze gaan zich zekerder voelen en meer ontplooien. Ze leren zich verplaatsen in anderen. Er ontstaat een persoonlijk geweten: datgene wat wordt beloond wordt gezien als goed en datgene wat wordt bestraft is fout.
Vrienden
Bij de meeste kinderen ontstaan in de kleuterfase de eerste vriendschapsrelaties. Pas nu is het kind in staat zich sociaal te gedragen: het kind is in staat met anderen mee te leven, anderen te helpen en met anderen te delen. Ouders helpen hierbij door te etiketteren “Dat jongetje is verdrietig” (Carr, 1999).
De kleuter doet grote moeite om bij een groep te horen. Om dat te bereiken imiteert hij het gedrag van anderen kleuters. Onder imiteren verstaat we het nadoen van anderen. Het erbij willen horen vormt de basis voor het sociale gedrag van het kind.
Niet alleen imitatie van anderen is belangrijk, maar ook identificatie. Onder identificatie verstaan we het willen zijn zoals de ander is. De kleuter identificeert zich vooral met de ouder van hetzelfde geslacht.
- Zelfbeeld
In de kleuterfase ontwikkelt zich bij het kind een zelfbeeld. Het kind krijgt een subjectief beeld van zichzelf: zo ben ik, dat kan ik en dat kan ik niet. Een kind leert wie hij is door wat anderen tegen hem zeggen, door hoe anderen zich ten opzichte van hem gedragen. Het zelfbeeld van het kind bestaat uit twee componenten, zelfvertrouwen en vertrouwen in de ander. Zelfvertrouwen omvat de verwachtingen met betrekking tot de eigen effectiviteit. Vertrouwen in de ander omvat de verwachtingen met betrekking tot de beschikbaarheid van anderen voor steun. Het beeld dat een kind van zichzelf ontwikkeld zal de persoonlijkheid van het kind kleuren.
- Normbesef
Een geheel ander aspect is de ontwikkeling van normbesef oftewel de ontwikkeling van het geweten. Het kind ontwikkelt zich tijdens de kleuterfase het schaamte en schuldbewustzijn. De gewetensvorming is echter nog heel pril. Er is sprake van een zekere starheid: een regel geldt altijd en overal, iets wat niet mag, mag nooit. Ook kijkt een kind sterk naar de uitkomst van een handeling. Een kleuter heeft geen oog voor de oorzaak van iemands gedrag.
Emotionele ontwikkeling
In de kleuterperiode krijgt het kind meer oog voor de wereld om hem heen. Hierbij leert het kind zijn eigen gevoelens kennen en benoemen. Op concreet niveau is de kleuter in staat met een ander mee te leven. Kleuters leren welke emoties geaccepteerd worden in bepaalde situaties en kunnen ongeaccepteerde emoties onderdrukken (Carr, 1999). Zowel angst en fantasie spelen bij de emotionele ontwikkeling van de kleuter een belangrijke rol.
Morele ontwikkeling
Tot op ongeveer 5 a 6 jarige leeftijd zijn kinderen alleen nog maar in staat hun gedrag te evalueren door te kijken naar de schade die hun handelingen aanbrengen. Kinderen op deze leeftijd denken ook dat immorele handelingen goed gekeurd worden wanneer hierop geen straffen volgen. Pas vanaf een jaar of 7 zijn kinderen in staat de slechtheid van hun handelen in een breder perspectief te zetten en kijken dan niet meer alleen naar de schade die ze aanbrengen, maar ook naar de intenties van de handelende persoon.
Om moreel handelen te internaliseren is het belangrijk dat kinderen veilig gehecht zijn aan hun ouders, de regels kennen van moreel handelen, en consequente gereageerd wordt wanneer de kinderen de fout in gaan, er aan de kinderen uitgelegd wordt waarom iets fout of goed is, kinderen verantwoordelijk gehouden voor hun eigen gedrag (rekening houdend met de leeftijd van het kind), het getolereerd wordt dat het kind zich kan uiten (Carr, 1999).
In de morele ontwikkeling hebben religie en cultuur een belangrijke rol. Deze zijn zeer bepalend voor de morele opvattingen van een persoon en worden vaak door ouders (bewust of onbewust) overgedragen aan hun kinderen. Door middel van cultuur en religie wordt een bepaalde manier van leven en overtuigingen nagestreefd.
Sex-rol ontwikkeling
Kinderen van 0 tot 5 jaar leren over het concept van geslacht. Eerst maken zij een onderscheidt tussen de geslachten en categoriseren zichzelf als jongen of meisje. Dan realiseren ze zich dat geslacht een constant iets is en niet van de een op de andere dag kan veranderen. Uiteindelijk realiseren ze zich dat er cruciale verschillen zijn tussen jongens en meisjes (geslachtsdelen) en minder cruciale verschillen, zoals kleding die geen effect hebben op het geslacht van een persoon. Zo ontwikkelen ze cognitieve structuren, zo gehete geslachtsschema’s die gebruikt worden om informatie te categoriseren over mannen en vrouwen. Wanneer kinderen ongeveer 5 jaar zijn vertonen ze vooral seksgerelateerd spelgedrag. Jongens spelen buiten en doen meer aan vecht spelletjes, meisjes spelen meer binnen en dan bijvoorbeeld moedertje (Carr, 1999).
REFERENTIE LIJST:
Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment. Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.
Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.
Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.
Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.
Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlby’s hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.
Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.
Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101.
Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 2, p. 159-173
Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.
Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.
Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.
Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development
Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.
Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.
Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.