Onderpresteren

Onderpresteren is een veelvoorkomende term bij het onderwerp hoogbegaafdheid. De term is dan ook zelf definiërend, ‘onderpresteren’ betekent letterlijk ‘onder het eigen niveau presteren’. Sommige hoogbegaafde leerlingen laten erg duidelijk zien dat zij op intellectueel niveau verder zijn dan de rest. Dit zijn de leerlingen die vaak als eerste klaar zijn, hun werk erg goed doen en altijd vragen vol plezier beantwoorden.

Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal hecht niet al te veel waarde aan deze term. Dit omreden dat het feitelijk wil zeggen dat uw kind, wordt afgezet tegen ‘het gemiddelde kind’. Wat ook kan gebeuren is dat uw kind wordt gescreend, op test en toets resultaten. Over het algemeen verwerken scholen dergelijke resultaten in IT-Tools als Magister of andere kind onterende digitale toepassingen. Uw kind heeft een eigen ontwikkeling en identiteit. UW kind is geen meetinstrument om te kijken hoe de school het doet en of het bestuur meer loon moet krijgen. Uw kind is en blijft Uniek en dat moet zo blijven.

Onderpresteren -Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal richt zich op de kern.  (BLOG-Categorie: Hoogsensitief en Ontwikkelingsvoorsprong) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl

Doordat schoolsystemen uw kind volledig murw kunnen maken, met depressie of zelfmutilatie tot gevolg. Alleen om die reden is het van belang aandacht te hebben voor volgende drie groepen kinderen. Die zijn helaas gedefinieerd in de wetenschap met de term onderpresteerder. Kortom er zijn hoogbegaafden die geen hoge prestaties leveren, daarin zijn drie groepen te onderscheiden:

De sociale onderpresteerder

De leerling past zich aan het niveau van de klas en de verwachtingen van de leerkracht aan, omdat dit als het ‘veiligst’ wordt ervaren door de leerling. Doet bewust zijn best om niet op te vallen om zodoende door de groep geaccepteerd te worden. Kan bewust voor onderpresteren kiezen uit sociale motieven zoals het verlangen om bij een groep te horen. Daarvoor kan de leerling in het begin van de basisschool klasgenoten goed in de gaten hebben gehouden en hun gedrag en prestaties hebben geïmiteerd. De sociale onderpresteerder is voor het behalen van het doel om erbij te horen, zelfs persoonlijke prestaties gaan aanpassen aan het gemiddelde van de groep.

De ontmoedigde onderpresteerder

De leerling is ontmoedigd doordat het keer op keer zijn neus heeft gestoten in het onderwijsleerproces. Dit is het geval wanneer de leerling voortdurend op een voor hem te laag ontwikkelingsniveau wordt aangesproken op school. De leerling krijgt daardoor het gevoel niet goed begrepen te worden. Veelal omdat de leerstof op geen enkele wijze voldoet aan de leerbehoeften. Daardoor verliest de leerling zijn motivatie en ontwikkelt het een slechte/negatieve werkhouding. In het ergste geval raakt de leerling geblokkeerd en kan het gevoel krijgen tot niets in staat te zijn. Fundamentele zelftwijfel kan het gevolg zijn, waardoor de leerling in een negatieve spiraal raakt en daar niet zelfstandig uit kan ontsnappen.

De perfectionistische onderpresteerder

De leerling is perfectionistisch ingesteld en ontwikkelde faalangst doordat het te hoge eisen aan zichzelf oplegt. Veelal gaat een perfectionistische onderpresteerder eigen werk niet of onvoldoende vergelijken met dat van anderen. De norm is meestal een eigen voorstelling van wat het eindproduct moet zijn, in veel gevallen een perfect product en als dat niet kan verkiest het voor helemaal geen resultaat. Een perfectionistische onderpresteerder heeft door deze werkwijze geen reëel zelfbeeld gecreëerd, doordat het niet in staat is aan de werkelijkheid te reflecteren.

De faalangst die het heeft ontwikkeld in de loop der tijd is dus niet tegenover de leerkracht of medeleerlingen, maar ten opzichte van een perfect zelfbeeld. De leerling denkt van zichzelf uit dat het geen fouten mag maken en zit daardoor eigen ontwikkeling behoorlijk in de weg. Het remmende karakter van het in kleine stapjes aanbieden van leerstof, zou de motivatie van de leerling kunnen doen afnemen tot een zo laag niveau dat de leerling kan gaan onderpresteren (Mönks & Ypenburg, 1993; de Vries, 1996; Span, 1988). Het eerste leertechnische aspect van aanspreken van motivatie is gelegen bij processen in de leerlingen zelf. Het onderwijsleerproces van de leerling moet bij voorkeur bestaan uit een frequent reflecteren op de kwaliteit van het geleerde (Bransford & Nitsch, 1978, in Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999).

Daarnaast moet de leerling in staat zijn van gedachten te kunnen veranderen gedurende het proces, voorkennis met nieuwe kennis te kunnen koppelen en in staat zijn nieuwe informatie te vergaren of toe te kunnen voegen aan bestaande kennis (Bransford et al., 2000; Wiske et al., 2001; in ten Brummelhuis et al., 2008). Deze vaardigheden staan in de literatuur bekend als ‘Meta-cognitief denken’ (Brown, Bransford, Ferrara, & Campione, 1983; Flavell, 1987, in Lin et al., 1999) en worden gezien als een belangrijke component voor het succesvol aanleren van nieuwe domeinen, het effectief mobiliseren van voorkennis en het organiseren van informatie en informatiebronnen (Bransford & Stein, 1993; Brown et al., 1983; Scardamalia & Bereiter, 1991, in Lin et al., 1999). Een manier van denken welke een springplank is voor zelf-monitoring, zelf-correctie, zelf-motivatie van de leerling (Lin, Hmelo, Kinzer & Secules, 1999).

Referenties

Brummelhuis, A. ten, & Kuiper, E. (2008). Driving forces for ICT in learning. In: J. Voogt & G. Knezek (Eds.), International Handbook of Information Technology in Primary and Secondary Education. (pp 97-111). Springer.

Chang, K.E., Sung, Y.T., Lee, C.L. (2003). Web-based collaborative inquiry learning. Journal of  Computer Assisted Learning, 19, 56-69.

De Jong, T. (2006a). Computer simulations: Technological advances in inquiry learning. Science, 312, 532-533.

De Jong, T. (2006b). Scaffolds for Scientific discovery learning. Advances in learning and instruction series. Handling complexity in learning environments. 107-111.

De Jong, T., & van Joolingen, W. R. (1998). Scientific discovery learning with computer simulations of conceptual domains. Review of Educational Research, 68, 179-202.

Kuhn, D., Black, J., Keselman, A., & Kaplan, D. (2000). The development of cognitive skills to support inquiry learning. Cognition and instruction, 18(4), 495-523.

Lin, X., Hmelo, C., Kinzer, C. & Secules, T. (1999). Designing technology to support reflection. Educational Technology, Research and Design (ETR&D), 47(3), 43-62.

Mönks, F.J., & Ypenburg, I.H. (1993). Hoogbegaafde kinderen thuis en op school. Assen, Dekker en van de Vegt, 1993.

Span, P., (1988). Onderpresteren op school door hoogbegaafde leerlingen. Tijdschrift voor orthopedagogiek, kinderpsychiatrie en klinische kinderpsychologie, 13.

Vries, H. de (1996). Intelligente kinderen; Een handleiding voor opvoeders. Amsterdam.

Zimmerman, C. (2000). The development of scientific reasoning skills. Developmental Review, 20, 99 – 149.

Hoogbegaafdheid

Theoretische achtergrond

  1. Hoge Intellectuele Capaciteiten (‘Hoogbegaafdheid problematiek’),

Hoogbegaafdheid betekent motivatie, creativiteit en IQ die, gemeten met een WISC of WAIS intelligentietest, boven het gemiddelde ligt. Dit wordt meestal uitgedrukt met een Intelligentie Quotiënt (IQ). Hierbij gaat men ervan uit dat het IQ in dat geval rond of boven 130 ligt. Men spreekt ook wel van de bovenste 5 tot 10 procent. Om van hoogbegaafdheid te kunnen spreken moeten in ieder geval de volgende drie persoonlijkheidskenmerken aanwezig zijn: hoge intellectuele capaciteiten, creativiteit en motivatie.

Ook sociale competentie (dit wil zeggen dat het kind in staat is met anderen op een positieve manier om te gaan) is hierbij belangrijk, omdat de mens een sociaal wezen is. Een bijzondere begaafdheid kan zich uiten in motorische, sociale, artistieke en hoge intellectuele vaardigheden. Vaak treden deze begaafdheidsvormen gecombineerd op. Daarnaast bestaat er bijzondere getalenteerdheid op een specifiek gebied, zoals muziek. Het hebben van aanleg op één of meer van de genoemde gebieden is niet genoeg. Iedere vorm van aanleg heeft begeleiding en stimulering nodig om zich te kunnen ontwikkelen. De sociale omgeving speelt hierbij een belangrijke rol.

Kinderen met hoogbegaafdheid worden vaak belemmerd bij de realisering van hun aanleg. Hoogbegaafdheid op zich is geen probleem, tot deze kinderen zich moeten aanpassen aan de geldende norm, die ver beneden de eigen norm ligt. Als het niet erkend en herkend wordt dat deze kinderen toe zijn aan andere activiteiten dan hun leeftijdgenootjes, dan kunnen er wel problemen ontstaan.

Hoogbegaafdheid – Kenmerken

Er zijn enkele kenmerken van hoogbegaafdheid, maar deze kenmerken zijn niet op alle hoogbegaafde kinderen van toepassing:

  • Zij hebben vaak een intellectuele belangstelling die ver boven hun leeftijd ligt.
  • Hoogbegaafde kinderen vallen vaak al op jonge leeftijd, omdat ze zeer nieuwsgierig en leergierig zijn.
  • Ze blijken over veel energie te beschikken, waardoor ze onvermoeibaar lijken te zijn.
  • Ze kunnen taakgericht en geconcentreerd met iets bezig zijn, maar ook met verschillende taken tegelijk.
  • Naast een goed en uitstekend geheugen en een brede belangstelling hebben zij vaak een apart gevoel voor humor.
  • Ze zijn vaak perfectionistisch, zelfstandig en willen alles op een eigen manier doen.
  • Vaak denken hoogbegaafde kinderen al op drie- of vierjarige leeftijd na over de zin van het leven en stellen hier indringende vragen over.
  • Sommigen leren zichzelf als kleuter lezen en schrijven.
  • Ze hebben een vroege ontwikkeling van getalbegrip en een eigen manier van rekenen.
  • Passieve woordenschat, het leggen van verbanden, begrip van causale verbanden, objectpermanentie en psychomotoriek ontwikkelen hoogbegaafde kinderen eerder.

Het gaat hier vooral om de verklaring van wat hoogbegaafdheid is en hoe deze tot uitdrukking komt.

Hoogbegaafdheid – Modelverklaringen

De veel voorkomende opvatting “hoogbegaafden zijn personen die opvallen door hoge intellectuele capaciteiten en bijzondere prestaties” komt men telkens weer tegen in de modelverklaringen die hierna komen.

  1. Capaciteitenmodellen,
  2. Cognitieve-componenten-modellen,
  3. Prestatie georiënteerde modellen,
  4. Sociocultureel georiënteerde modellen.

(Deze vier genoemde opvattingen sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan.)

Verklaringsmodellen voor hoogbegaafdheid

De capaciteitenmodellen gaan ervan uit dat hoge intellectuele capaciteiten die reeds op jonge leeftijd vastgesteld kunnen worden stabiel blijven. Meestal zullen deze personen pas als ze volwassen zijn bijzondere prestaties leveren. Rond 1920 werd intelligentie gemeten en uitgedrukt in een getal, genaamd intelligentiequotiënt of IQ (Terman in Mönks & Ypenburg, 1993). Dit getal werd bepaald op basis van de normaal verdeling der waarden die ontstond uit de gemeten waarden van de door Terman afgenomen test. In 1954 voegde Terman, op basis van vele jaren van verzamelen van onderzoeksgegevens, daar aan toe dat uithoudingsvermogen en een positief ondersteunende omgeving een rol spelen in de stabilisatie van dat gemeten IQ.

De cognitieve-componenten-modellen richten zich vooral op de informatieverwerkingsprocessen. Zij hebben belangstelling voor kwalitatieve verschillen bij deze processen. In deze modellen speelt het gemeten intelligentieniveau (IQ-getal) een ondergeschikte rol en komt de vraag waarin hoogbegaafde kinderen zich onderscheiden in de manier van denken ten opzichte van niet als hoogbegaafd aangemerkte kinderen meer op de voorgrond. Sommige vertegenwoordigers van deze richting stellen voor om niet van IQ maar van QI te spreken: kwaliteit van informatieverwerking.

De prestatie-georiënteerde-modellen gaan uit van potentie en van gerealiseerde potentie (prestaties). Potentie is een voorwaarde om te komen tot bijzondere prestaties. Niet bij alle kinderen wordt het aanwezige potentieel ontwikkeld. De belangrijkste belemmeringen liggen vaak in de directe omgeving van het kind doordat de bijzondere gaven niet onderkend worden. De voorwaarden sluiten aan op de omgevingsfactoren zoals eerder genoemd bij de capaciteiten modellen. Lang niet alle kinderen kunnen hun potentieel volledig ontwikkelen, omdat de omgeving onvoldoende stimulerend is (Tannenbaum, 1950; in Mönks & Ypenburg, 1993). Elk kind wordt in beginsel geboren met begaafdheden, maar de mogelijkheden tot ontwikkeling van dit potentieel heeft te maken met het bij een leerling voldoende aanwezig zijn van doorzettingsvermogen en motivatie (Gagné in Mönks & Ypenburg, 1993).

Sociocultureel-georiënteerde-modellen

De sociocultureel-georiënteerde-modellen gaan ervan uit dat alleen bij een gunstige samenwerking van individuele en sociale factoren hoogbegaafdheid tot uitdrukking kan komen. Hoogbegaafdheid kent geen genetische of sociaal-culturele stabiliteit, de waardering van eerder genoemde prestaties is in hoge mate afhankelijk van bijvoorbeeld politieke en economische aspecten. Onderstaande model gaat uit van de onderlinge interactie van persoonlijkheidsfactoren, die wordt uitgedrukt in drie elkaar overlappende cirkels

(Renzulli, 1978; in Mönks & Ypenburg, 1993):

  1. hoge intellectuele capaciteiten.
  2. creativiteit,
  3. taakgerichtheid,

Deze persoonlijkheidsfactoren worden beïnvloed door onderstaande drie sociale contextfactoren

(Mönks, 1985; in Mönks & Ypenburg, 1993):

  1. school,
  2. vriendenkring,
  3. gezin.

Hoogbegaafdheid wordt door Mönks en Ypenburg omschreven als een leerling met een intelligentie Quotient (IQ) van 130 of hoger.

Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal heeft als uitgangspunt dat jij het als hoogbegaafde voor het zeggen hebt.
Hoogbegaafdheid wordt door Mönks en Ypenburg omschreven als een leerling met een intelligentie Quotient (IQ) van 130 of hoger.

Het triadisch interdepentiemodel (Mönks & Ypenburg, 1993).

  • Creativiteit (‘Het onvoldoende hebben lerenleren’),

Creativiteit is het vermogen om op een originele en vindingrijke wijze oplossingen voor problemen te bedenken. Creativiteit komt ook naar voren bij het bedenken van problemen.

  • Motivatie (‘Ontbreken van doorzettingsvermogen als het moeilijk wordt’).

Motivatie is de wil en het doorzettingsvermogen van iemand om een bepaalde taak of opdracht tot een goed einde te brengen. Motivatie betekent ook dat men zich aangetrokken voelt tot een bepaalde taak, dat men er plezier in heeft, maar ook dat men doelstellingen, plannen kan maken.

  • Identiteit (‘Het niet lekker in zijn vel zitten’),

Hoogbegaafde kinderen kunnen ook minderwaardigheidsgevoelens ontwikkelen en ernstig depressief worden, doordat zij niet snappen dat leeftijdgenoten anders denken, voelen en problemen oplossen dan zij.

Hoogbegaafdheid - Twents Centrum voor Hoogbegaafden Oldenzaal test IQ met WISC of WAIS & de Creativiteit en Motivatie.  (BLOG-Categorie: Hoogbegaafdheid Testen) T:0541-531348 M:info@tvcho.nl

Opvoedingsadviezen Hoogbegaafdheid:

Zowel thuis als op school is het belangrijk om het kind op de juiste manier te stimuleren. Want men kan een onderscheid maken tussen een stimuleringsrijke en een stimuleringsarme omgeving in materiële en pedagogische zin. Als men kijkt naar de materiële stimulering kan dit van alles zijn, zowel boeken, muziek en muziekinstrumenten als knutselgereedschap, speelgoed en “waardeloos” materiaal waar van alles van te maken is. Alleen de aanwezigheid van gevarieerd materiaal is niet genoeg, het is aan de ouders om kinderen zo nu en dan op een idee te brengen, het kind (als het dat wil) ergens bij te helpen, of met het kind samen iets te ondernemen.

Juiste stimulering betekent dus dat men gebruik maakt van beschikbare middelen zonder het kind iets op te dringen waar het geen belangstelling voor heeft, of het met zoveel informatie, ideeën en bezigheden te overspoelen dat het zelf nauwelijks aan een keuze toekomt of geen rust meer krijgt om “niks” te doen.

Verrijken en versnellen

Op school zijn er twee mogelijkheden om het hoogbegaafde kind te stimuleren en te begeleiden: verrijking en versnelling.

Onder versnelling wordt in het algemeen het overslaan van één of meer klassen verstaan, maar ook de vroegere toelating tot een schooltype, basisschool of voorgezet onderwijs. Ook het sneller doorwerken van de leerstof valt hier onder.

Met verrijking bedoelt men verbreding en verdieping van de leerstof. Het is namelijk zo dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen meer leerstof kunnen verwerken en dit ook in een sneller tempo kunnen. Verrijking kan op verschillende manieren gebeuren. Uitgangspunt bij de keuze van een onderwerp moet de persoonlijke interesse of aanleg van het kind zijn. Waardoor het voor veel scholen moeilijk lijkt te zijn om hoogbegaafde kinderen gewoon in de klas te houden.

Toch is het belangrijk dat hoogbegaafde kinderen niet in aparte zogenaamde hoogbegaafde klassen of scholen als einzelgänger worden opgevoed. Hoogbegaafde kinderen als zodanig bestaat niet. Ieder kind heeft immers recht op een uitdagende leeromgeving, laag begaafde leerkrachten en scholen is wel een probleem.