Puber Hoogbegaafd betreft de fase van de puberteit. Daarin vallen vooral de lichamelijke veranderingen sterk op. Onder invloed van hormonen verandert het meisje in een jonge vrouw en de jongen in een jonge man. Er is echter niet alleen sprake van lichamelijke volwassenwording, ook in psychosociaal opzicht wordt de puber meer volwassen. Er is sprake van een losmakingsproces, als ook van een individualisatieproces: het gaat om het ontwikkelen van de eigen identiteit. Veel van de individuele persoonlijkheidskenmerken die in de kindertijd worden ontwikkeld houden stand in de adolescentie en volwassenheid.
Ontwikkeling van de adolescent
Puber Hoogbegaafd wil niet zeggen dat uw kind alle aspecten van het puber zijn en adolescentie over slaat. In de fase van de adolescentie zien we dat de lichamelijke volwassenwording wordt voltooid. De psychosociale veranderingen daarentegen zetten zich verder voort. Veel adolescenten verlaten het ouderlijk huis. Er worden stappen gezet in de richting van meer definitieve keuzes: er is sprake van beroepskeuze of studiekeuze, men krijgt een meer of mindere vaste relatie.
Lichamelijke ontwikkeling
Tot aan de adolescentie is de groei van jongens en meisjes vergelijkbaar. Wanneer jongeren de adolescenten leeftijd bereiken ontstaat er een verschil tussen jongens en meisjes. Bij meisjes komt de groeispurt één tot twee jaar eerder opgang. Bij jongens is er dan vooral sprake van sneller groeien, het ontwikkelen van spieren en het ontwikkelen van bredere schouders. Meisjes krijgen bredere heupen en meer lichaamsvet (Carr, 1999)
De puber groeit ongeveer 10 centimeter per jaar. Dit heeft tot gevolg dat een puber tijdelijk behoorlijk onhandig kan zijn op motorisch vlak. Hij groeit zo snel dat hij zelf zijn nieuwe lichaam niet kan ‘bijbenen’. Ook gevoelsmatig wordt de puber vaak door veranderingen overdonderd. Hij weet niet goed hoe om te gaan met de tegenstrijdigheid: je nog kind voelen en eruitzien als een volwassene.
Seksuele Rijping
Puber Hoogbegaafd groeit niet alleen in lengte en in gewicht, maar hij groeit ook uit tot een volwassenen die zich kan voortplanten. We spreken van seksuele rijping. Voor een jongen houdt de seksuele rijping onder andere in: productie van sperma, groei van de penis en groei van het schaamhaar. Voor een meisje houdt de seksuele rijping onder andere in: ontwikkeling van de borsten, groei van de eierstokken en het op gang komen van de menstruatie.
Nogal eens schaamt een puber zich voor zijn of haar veranderende lichaam of hij/zij maakt zich zorgen. Deze schaamte en deze zorgen kunnen worden versterkt wanneer de puber tot de erg vroege of erg late rijpers behoort, maar ook ‘normale’ menselijke verschillen kunnen problemen geven. Een puber die qua lengte, lichaamsbouw, huidconditie of lichamelijke prestaties afwijkt van leeftijdsgenoten kan zich erg ellendig voelen. Het gaat hierbij niet om objectieve maatstaven, maar om de beleving van de jongere.
Cognitieve ontwikkeling
Op de leeftijd van 12 á 13 jaar wordt het ‘basisschooltijdperk’ afgesloten. Er wordt een keuze gemaakt voor een bepaalde school voor voortgezet onderwijs. De puber krijgt op de nieuwe school te maken met een nieuwe schoolsituatie, een andere manier van leven en veel nieuwe vakken. De overgang naar de nieuwe school valt echter vaak niet mee. Daarnaast neemt de interesse in het gestructureerd leren af. De puber is met andere zaken bezig, vooral ook met zichzelf. De puber is meer geïnteresseerd in het leren van anderen: van leeftijdsgenoten.
Kijken we naar het denken van de puber en de adolescent dan zien we dat er sprake is van abstract en kritisch denken. Volgens Piaget is hiermee de cognitieve ontwikkeling afgesloten, dit gebeurt over het algemeen na het elfde levensjaar. Het vermogen om abstract te denken komt de puber op school goed van pas. De puber gebruikt het vermogen tot abstract denken echter ook in het contact met leeftijdsgenoten en in het nadenken over onderwerpen als oorlog, milieuvervuiling en goed en kwaad. Tezamen met de kritische houding van de puber leidt dit nadenken en praten vaak tot forse kritiek op de bestaande maatschappij.
Puber Hoogbegaafd en Kritisch denken
Het kritische denken van de puber is ook gericht op de ouders. Veel van wat de ouders vinden en doen en wat vroeger vanzelfsprekend was, wordt in twijfel getrokken. De puber neemt afstand van de normen en waarden van het gezin. Het kritische denken van de puber is eveneens gericht op zichzelf. Met name het uiterlijk en de lichamelijke veranderingen worden zeer kritisch bekeken. Omdat de puber veel met zichzelf bezig is, leidt dit nogal eens tot egocentriciteit. Het reflectieve denken ontwikkelt zich. Dit kan leiden tot gevoelens van depressie en ontevredenheid ten gevolge van het bewust worden van een verschil tussen hoe het is en hoe het zou moeten zijn. (Kohnstamm, 1987).
Ook bij adolescenten zien we het abstracte en kritische denken terug. Het denken van de adolescent richt zich veelal op gevestigde, vaststaande waarden, normen en ideeën. Waar de puber niet verder komt dan kritiek, en blijft steken in het overnemen van ideeën van anderen of in het afzetten tegen de ouders, ontwikkelt de adolescent meer eigen, nieuwe ideeën. Hij ontwikkelt zijn eigen visie op het gebied van religie, politiek, economie of milieu. Ook bij een adolescent zien we dat hij het kritische denken op zichzelf richt. Er is sprake van zelfreflectie, die leidt tot zelfbeoordeling en zelfkritiek. Hieruit blijkt duidelijk dat het denken van de jongere een duidelijke functie heeft voor de ontwikkeling van de identiteit.
Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
- Losmakingsproces
Wat betreft de sociale ontwikkeling kenmerkt de jongere zich door een losmakingsproces.
De jongere wil:
– Zelfstandig zijn
– Zijn eigen beslissingen nemen
– Verantwoordelijkheid dragen
– Meer dan vroeger zijn tijd buitenshuis doorbrengen.
Dit losmakingsproces kan gepaard gaan met conflicten tussen ouders en pubers. Ouders hebben er emotioneel gezien moeite mee hun kind los te laten. Daarnaast kunnen zij moeite hebben met de kritische houding van de puber ten opzichte van hen.
Alle kinderen van verschillende leeftijden kunnen droevig zijn, maar het gevoel van extreme droevigheid die samen kan gaan met depressie en somatische bijverschijnselen kunnen sterk naar boven komen bij adolescenten (Carr, 1999).
Peers
We zien bij de puber dat tegelijkertijd met het losser worden van de contacten met de ouders, de contacten met de eigen leeftijdsgenoten meer diepgaand worden. De jongere maken deel uit van een zogeheten peer group: een groep leeftijdsgenoten. De groep leeftijdsgenoten biedt de jongere zekerheid, steun en veiligheid. Voor de jongere is het erg belangrijk dat hij door zijn vrienden wordt geaccepteerd. Daarom conformeert hij zich aan de normen, rages en modes die in de groep gelden. De puber past zich aan, aan wat hoort. Het is belangrijk te weten dat van het conformisme ook een grote druk uitgaat: de puber moet erbij horen, hij moet zich aanpassen.
Een jongere ontleent dus zijn gevoel van eigenwaarde in belangrijke mate aan het al dan niet bij een groep horen. De leeftijdsgroep heeft echter ook andere functies. De groep is namelijk ook bij uitstek de plaats waar de jongere met gedrag kan experimenteren. In de groep leeftijdsgenoten oriënteert de jongere zich ook op andere normen en waarden. Er wordt gediscussieerd over waar grenzen liggen, wat wel en niet toelaatbaar is, of zou moeten zijn. Vaak ontwikkelen zich daarbij bepaalde groepsnormen.
- Antisociaal en crimineel gedrag
In de leeftijdsfase van de puber en de adolescent komt delinquentie veelvuldig voor. Meestal is dit gedrag van voorbijgaande aard.
- Vriendschappen en verliefdheden
Naast het deel uitmaken van een groep leeftijdsgenoten, heeft een jongere ook behoefte aan één of meer speciale vrienden of vriendinnen. Bij deze vriendschappen hebben meisjes onderling meer diepgaand contact dan jongens onderling. Meisjes zijn op emotioneel gebied vaak meer op elkaar afgestemd, ook zijn ze meer gericht op wederzijdse steun en aanmoediging. Jongens daarentegen zijn in hun vriendschap vaak meer gericht op het doen van gezamenlijke activiteiten.
Verliefdheden komen in deze leeftijdsfase veel voor. Vaak zijn deze verliefdheden hevig, maar van korte duur.
Seksuele ontwikkeling
De vele lichamelijke veranderingen die tijdens de puberteitsfase optreden brengen ook nieuwe seksuele gevoelens met zich mee. Deze gevoelens kunnen de puber in verwarring brengen. Wat betreft de seksuele ontwikkeling in deze fase wordt wel gesproken van de genitale fase.In deze fase zien we een duidelijk verschil tussen jongens en meisjes. Meisjes zijn eerder geslachtsrijp dan jongens. Meisjes hebben daarnaast meer romantische fantasieën, terwijl jongens meer seksuele fantasieën hebben.
17 miljoen (73%) van alle jongeren tussen de 12 en 17 jaar maken gebruik van het internet. Het internet wordt gebruikt voor allerlei doeleinden: informatie zoeken, maar vooral ook voor het in contact komen met leeftijdsgenoten. Internet speelt een steeds belangrijkere rol in de ontwikkeling van de eigen identiteit en seksualiteit van jongeren. Het biedt een laagdrempelige en anonieme omgeving om te experimenteren met gedrag. Het geeft de jongere de mogelijkheid om zich te uiten en openlijk te communiceren over hun zorgen. Jongeren maken vooral veel gebruik van online chat-rooms waardoor ze makkelijk in contact komen met leeftijdsgenoten (Subrahmanyam, Greenfield & Tynes, 2004).
REFERENTIE LIJST:
Ainsworth, M.D.S. (1973). The development of infant-mother attachment. Review of Child Development Research, 3.1-94. Chicago: University of Chicago Press.
Bowlby J (1958). The nature of the child’s tie to his mother. International Journal of Psychoanalyse 39. 350-373.
Carr, A. (1999). The handbook of child and adolescent clinical psychology: a contextual approach. 3-33.
Holle & Britta (1977). De motorische ontwikkeling van normale en geretardeerde kinderen.
Ijzendoorn, M. H. van (1994). Opvoeden in geborgenheid: een analyse van Bowlby’s hechtingstheorie. Uitgeverij van Loghum Slaterus.
Keenan, T. (2002). An Introduction to Child Development. London: Sage Publications.
Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 1, p. 85-101.
Kohnstamm, R. (1987). Kleine ontwikkelingspsychologie. Amsterdam: Van Loghum Slaterus. Deel 2, p. 159-173
Lyddon, W. J., Sherry, A. (2001). Developmental personality styles: an attachment theory conceptualization of personality disorders. Journal of Counseling and Development, 79 (4). 405-415.
Meihuizen-de Regt, M.J., de Moor, J.M.H., Mulders, A.H.M. (2003), Kinderrevalidatie, Assen: van Gorcum.
Rigter, J. (2002). Ontwikkelingspsychopathologie, bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Coutinho.
Schaffer, D. R. (1999). Social & Personality Development
Tychon, K. (2004). Overzicht van de diverse ontwikkelingsfasen. Interne publicatie Riagg Midden Limburg.
Verhoef, A. C. (1997). Opvoeding en ontwikkeling. Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn.
Verhulst, F.C. (2003). De ontwikkeling van het kind. Assen: Van Gorcum.